Ontbijt

Sara

Ik zit in onze gezamenlijke woonkamer aan mijn ontbijt en lees de krant. Ik eet elke dag hetzelfde: yoghurt met muesli en een kopje thee. Vind ik dat lekker? Geen idee eigenlijk, geheel gedachteloos werk ik het naar binnen, tegelijk met het wereldnieuws. Meestal zit ik alleen, ik ben vaak wat later dan de rest. Dan is het lekker rustig en staat de verwarming al aan.

Maar vanochtend is Jessica er ook. Aan de randen van mijn blikveld loopt ze heen en weer met kopjes naar de keuken. Jessica is altijd aan het opruimen. Ze denkt dat haar vriendje er zo aan komt, schiet er door mijn hoofd. Ondertussen vouw ik de krant uit elkaar en leg hem weer op volgorde; ik heb er zo’n hekel aan als mensen een rommelige, uitgelezen krant achterlaten. Hoe weet ik dat eigenlijk?, denk ik dan. Dat ze wacht op haar vriendje, bedoel ik. Waar baseer ik dat op? ‘Wil je koffie?’ roept ze uit de keuken.

Niet omdat ze koffie zet, dat zou ze sowieso wel doen. En opruimen ook. Was ze misschien onrustig of juist opvallend vrolijk? Ik kan niets bedenken dat me is opgevallen. Sterker nog, ik heb haar nauwelijks aangekeken. ‘Koffie?’, zegt Jessica, haar gezicht steekt uit de deuropening. ‘Eh ja, sorry, graag’, knik ik. Ik zie niets aan haar en toch weet ik het zeker. Peinzend staar ik in mijn krant. Hoe kan dit? Ik weet iets en ik weet het zeker, maar ik heb geen idee waarom. Ineens weet ik het ook niet zo zeker meer.

Ik ken haar natuurlijk al jaren, ik heb vaak genoeg meegemaakt dat ze op hem wacht. Tim is niet het type gozer dat even opbelt dat ie komt. Hij is er ineens wanneer hij zin heeft en anders niet. En op de een of andere manier is dit typisch zo’n situatie. Maar waarom dan? ‘Ach, als hij zo komt, dan weet je het toch?’ stel ik mezelf gerust. Nee, want hij hoeft helemaal niet te komen. Ze denkt alleen dat hij zo komt. En ik weet dat ze dat denkt. Ken ik haar zo goed dat ik haar gedachten kan lezen aan haar houding?

Jessica komt de kamer binnen met de koffiepot en schenkt ons een kopje in. ‘Verwacht je Tim?’ vraag ik quasi nonchalant. ‘Hoezo?’ Ze zegt het fel. Oh God, daar kon ik op wachten. Haar strijdbaarheid vertelt me dat ik gelijk heb, maar ook dat ik beter niet verder kan vragen. ‘Zomaar’, zeg ik lauw. Gek, denk ik dan, dat je iemand op zoiets kleins en onschuldigs als hoop kan betrappen.

Mijn reactie


TV Gids