Onderweg

Sara

Ik rij. En dat doe ik graag. Ze rijden links hier, maar dat maakt niet uit, want links en rechts zeggen mij niets. Aan de kant waar het stuur zit moeten de tegenliggers je passeren, dat is mijn regel en die werkt overal ter wereld. We rijden over een zandweg door een dorpje en alle kinderen die ons zien roepen ‘jambo’. Allemaal. Echt.

Ik rij misschien twintig, misschien langzamer. Dan hoor ik een jammerlijke kreet. Ik kijk om me heen en zie verderop een kindje. Maakte die dat geluid?  ’My dog’ roept Mohammed vanaf de achterbank. Hij is onze vertaler en heeft mooie lippen. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel en zie iets zwarts liggen.

We stappen uit. In de twintig meter die ik er heen loop, zie ik meteen dat er niets meer aan te redden is. Er ligt een klein zwart bolletje pluis met een beetje wit in het zand. Het is een heel jong hondje. Ik ben over zijn hoofd en hals heen gereden. Terwijl hij lag te slapen in het warme zand. Zijn ogen zijn uit de kassen gesprongen. Veel luguberder kan je het niet krijgen.

Hij maakt stuiptrekkingen en ik vraag Mohammed hoe we hem het snelst afmaken. Dat lijkt me wel zo vriendelijk, want dit lijden is zonder noodzaak. Maar Mo antwoordt dat hij al bijna dood is. En inderdaad duurt het geen 30 seconden meer voor het stuiptrekken stopt.

Een jongen pakt hem bij zijn staart. Hij schopt wat zand over de ogen en het kleine beetje bloed dat er ligt en trekt de hond de bosjes in. ‘Hij begraaft hem wel’, zegt Mo. ‘Nu zijn er nog maar drie jongen over’. De moederhond staat inderdaad op afstand te kijken, maar lijkt verbazend weinig geïnteresseerd. Ik blijf sorry zeggen en Mo zegt dat het niet geeft. Hij kijkt er bij alsof het ook echt niet geeft. Hij heeft dit vaker meegemaakt. Net als de moederhond, die alweer een andere bezigheid heeft gevonden.

De enige die dit niet eerder heeft meegemaakt ben ik. Alhoewel. Ik kan me herinneren dat ik ooit met een vriendje een vogeltje vond op de grond. Uit het nest gevallen. Het was een stumpertje, net uit het ei met nog natte veertjes en ogen die niets zagen. Een hopeloze zaak.

We moesten hem uit zijn lijden verlossen. Daar waren we het snel over eens. Maar hoe moesten we dat doen. En belangrijker nog, wie moest dat doen. Veel tijd voor uitgebreid beraad was er niet, want aan onze voeten lag het beestje te creperen. Wij leden onder elke seconde.

Ik weet niet meer waarom, maar de ondankbare taak viel mij toe. Met enige weerzin pakte ik het kleine nekje beet. Ik wachtte. En ik wachtte nog wat langer. Toen zei mijn dappere vriendje ‘toe dan’. In een snelle beweging bracht ik het hoofdje naar de romp en ik voelde het breken. Het stelde eigenlijk niet veel voor. De fysieke daad dan, want psychologisch maakte het wel indruk. Ik legde het vogeltje neer en die begon net zo naar te trekken als het hondje. Dacht je dat je het ergste gehad had, kreeg je dat nog. Het duurde eindeloos.

Mijn vriendje heeft hem geloof ik met de nodige egards begraven. Voor de ceremonie ben ik niet gebleven. Ondertussen rijden wij verder over de zandweg. Net zo langzaam als eerst. Ik kijk nog beter. Achter elke pol gras en elke rots. Ik zie een zwart plastic zakje liggen. Dat denk ik tenminste. Ik rij er op af en het beweegt niet. Ik rij  er over heen en ik luister. Ik hoor niets. Dat klopt, denk ik, plastic zakjes schreeuwen doorgaans niet.

Mijn reactie


TV Gids