Bubbels

Sara

Ik zit met een vriend op een grasveld ergens in Zuid-Duitsland. Het is begin zomer en laat in de middag. De warmte van de dag is aan het afnemen, maar het blijft nog uren licht. We zitten onderuitgezakt op een bankje en kijken naar de mensen die voorbij komen.

Als we er zo’n half uurtje zitten, komt er een oud mannetje aangefietst. Hij heeft een lange witte baard en een wijde gele broek, die dankzij bretels om zijn middel hangt. Met meer souplesse dan je van hem zou verwachten zwaait hij zijn been achter zich langs en remt. Hij stapt af en zet zijn fiets op de standaard. Met zijn handen in de zij kijkt hij om zich heen en lijkt te overdenken of dit de juiste plek is. Hij heeft een hand boven zijn ogen terwijl hij richting de zon tuurt, steekt dan een vinger in zijn mond en houdt hem in de lucht.

Om zijn hals hangt een grote donker houten koker, die hij rustig open draait. Hij trekt er een object uit, aan het handvat. Van een afstandje ziet het eruit als een grote stemvork van hout. In de zon geeft hij een vreemde schittering, alsof er olie aan kleeft. Dan stopt hij het object weer in de koker, schudt een beetje en trekt hem er met een grote boog uit terwijl hij een stap naar achter zet. Tussen de twee houten tanden van de stemvork vormt zich een doorzichtige bol. Het mannetje houdt hem nu voor zich en blaast krachtig, maar tegelijk voorzichtig, de zeepbel vol. Steeds groter. Tot hij hem wiebelend van de stok af werkt. De bel dobbert in de lucht. Met zijn handen wappert hij van onderen lucht langs de zeepbel, die daardoor centimeter voor centimeter aan hoogte wint. Tot de wind hem oppakt en echt omhoog trekt. Mijn zijn vinger wijst de man zijn zeepbel na tot die uiteindelijk uit elkaar klapt.

Mijn vriend en ik, wij kijken vol verbazing naar dit oude mannetje en zijn kinderlijke geluk. Het is niet van deze wereld. We bewonderen een poosje in stilte hoe hij opgaat in zijn spel en steeds weer nieuwe grote zeepbellen maakt, waarvan de meeste knappen, maar sommige tot ver buiten ons gezichtsveld opstijgen. Het is alsof hij danst, met zijn grote stappen en het gezwaai van zijn armen. ‘Zou hij dat elke dag doen?’, doorbreekt mijn vriend de stilte.

‘Ik denk het wel’, zeg ik, bijna ontroerd door hoe mooi ingetogen dit kabouterachtige kereltje zijn werk doet. ‘Misschien betalen ze hem er wel voor’. ‘Is hij de laatste professionele zeepbellenblazer van Duitsland’ zeg ik. ‘Een roeping die dreigt verloren te gaan in de moderne tijd’, vult mijn vriend aan.

Natuurlijk deden wij als kind ook aan bellenblazen, uit een klein plastic potje zeepsop. Maar dit staat mijlenver van de praktijk van het bellenblazen. Ik herken wat de man doet, maar zijn serieuze toewijding maakt het tot een activiteit van een andere categorie. Het voelt alsof dit wel betekenis, zin of toch in ieder geval een doel moet hebben. ‘Hij stuurt kusjes naar zijn overleden vrouw’, besluit ik.

Mijn reactie


TV Gids