Auteur archief

Ontbijt

vrijdag 7 januari 2011

Ik zit in onze gezamenlijke woonkamer aan mijn ontbijt en lees de krant. Ik eet elke dag hetzelfde: yoghurt met muesli en een kopje thee. Vind ik dat lekker? Geen idee eigenlijk, geheel gedachteloos werk ik het naar binnen, tegelijk met het wereldnieuws. Meestal zit ik alleen, ik ben vaak wat later dan de rest. Dan is het lekker rustig en staat de verwarming al aan.

Maar vanochtend is Jessica er ook. Aan de randen van mijn blikveld loopt ze heen en weer met kopjes naar de keuken. Jessica is altijd aan het opruimen. Ze denkt dat haar vriendje er zo aan komt, schiet er door mijn hoofd. Ondertussen vouw ik de krant uit elkaar en leg hem weer op volgorde; ik heb er zo’n hekel aan als mensen een rommelige, uitgelezen krant achterlaten. Hoe weet ik dat eigenlijk?, denk ik dan. Dat ze wacht op haar vriendje, bedoel ik. Waar baseer ik dat op? ‘Wil je koffie?’ roept ze uit de keuken.

Niet omdat ze koffie zet, dat zou ze sowieso wel doen. En opruimen ook. Was ze misschien onrustig of juist opvallend vrolijk? Ik kan niets bedenken dat me is opgevallen. Sterker nog, ik heb haar nauwelijks aangekeken. ‘Koffie?’, zegt Jessica, haar gezicht steekt uit de deuropening. ‘Eh ja, sorry, graag’, knik ik. Ik zie niets aan haar en toch weet ik het zeker. Peinzend staar ik in mijn krant. Hoe kan dit? Ik weet iets en ik weet het zeker, maar ik heb geen idee waarom. Ineens weet ik het ook niet zo zeker meer.

Ik ken haar natuurlijk al jaren, ik heb vaak genoeg meegemaakt dat ze op hem wacht. Tim is niet het type gozer dat even opbelt dat ie komt. Hij is er ineens wanneer hij zin heeft en anders niet. En op de een of andere manier is dit typisch zo’n situatie. Maar waarom dan? ‘Ach, als hij zo komt, dan weet je het toch?’ stel ik mezelf gerust. Nee, want hij hoeft helemaal niet te komen. Ze denkt alleen dat hij zo komt. En ik weet dat ze dat denkt. Ken ik haar zo goed dat ik haar gedachten kan lezen aan haar houding?

Jessica komt de kamer binnen met de koffiepot en schenkt ons een kopje in. ‘Verwacht je Tim?’ vraag ik quasi nonchalant. ‘Hoezo?’ Ze zegt het fel. Oh God, daar kon ik op wachten. Haar strijdbaarheid vertelt me dat ik gelijk heb, maar ook dat ik beter niet verder kan vragen. ‘Zomaar’, zeg ik lauw. Gek, denk ik dan, dat je iemand op zoiets kleins en onschuldigs als hoop kan betrappen.

Bubbels

woensdag 1 december 2010

Ik zit met een vriend op een grasveld ergens in Zuid-Duitsland. Het is begin zomer en laat in de middag. De warmte van de dag is aan het afnemen, maar het blijft nog uren licht. We zitten onderuitgezakt op een bankje en kijken naar de mensen die voorbij komen.

Als we er zo’n half uurtje zitten, komt er een oud mannetje aangefietst. Hij heeft een lange witte baard en een wijde gele broek, die dankzij bretels om zijn middel hangt. Met meer souplesse dan je van hem zou verwachten zwaait hij zijn been achter zich langs en remt. Hij stapt af en zet zijn fiets op de standaard. Met zijn handen in de zij kijkt hij om zich heen en lijkt te overdenken of dit de juiste plek is. Hij heeft een hand boven zijn ogen terwijl hij richting de zon tuurt, steekt dan een vinger in zijn mond en houdt hem in de lucht.

Om zijn hals hangt een grote donker houten koker, die hij rustig open draait. Hij trekt er een object uit, aan het handvat. Van een afstandje ziet het eruit als een grote stemvork van hout. In de zon geeft hij een vreemde schittering, alsof er olie aan kleeft. Dan stopt hij het object weer in de koker, schudt een beetje en trekt hem er met een grote boog uit terwijl hij een stap naar achter zet. Tussen de twee houten tanden van de stemvork vormt zich een doorzichtige bol. Het mannetje houdt hem nu voor zich en blaast krachtig, maar tegelijk voorzichtig, de zeepbel vol. Steeds groter. Tot hij hem wiebelend van de stok af werkt. De bel dobbert in de lucht. Met zijn handen wappert hij van onderen lucht langs de zeepbel, die daardoor centimeter voor centimeter aan hoogte wint. Tot de wind hem oppakt en echt omhoog trekt. Mijn zijn vinger wijst de man zijn zeepbel na tot die uiteindelijk uit elkaar klapt.

Mijn vriend en ik, wij kijken vol verbazing naar dit oude mannetje en zijn kinderlijke geluk. Het is niet van deze wereld. We bewonderen een poosje in stilte hoe hij opgaat in zijn spel en steeds weer nieuwe grote zeepbellen maakt, waarvan de meeste knappen, maar sommige tot ver buiten ons gezichtsveld opstijgen. Het is alsof hij danst, met zijn grote stappen en het gezwaai van zijn armen. ‘Zou hij dat elke dag doen?’, doorbreekt mijn vriend de stilte.

‘Ik denk het wel’, zeg ik, bijna ontroerd door hoe mooi ingetogen dit kabouterachtige kereltje zijn werk doet. ‘Misschien betalen ze hem er wel voor’. ‘Is hij de laatste professionele zeepbellenblazer van Duitsland’ zeg ik. ‘Een roeping die dreigt verloren te gaan in de moderne tijd’, vult mijn vriend aan.

Natuurlijk deden wij als kind ook aan bellenblazen, uit een klein plastic potje zeepsop. Maar dit staat mijlenver van de praktijk van het bellenblazen. Ik herken wat de man doet, maar zijn serieuze toewijding maakt het tot een activiteit van een andere categorie. Het voelt alsof dit wel betekenis, zin of toch in ieder geval een doel moet hebben. ‘Hij stuurt kusjes naar zijn overleden vrouw’, besluit ik.

Onderweg

zaterdag 6 februari 2010

Ik rij. En dat doe ik graag. Ze rijden links hier, maar dat maakt niet uit, want links en rechts zeggen mij niets. Aan de kant waar het stuur zit moeten de tegenliggers je passeren, dat is mijn regel en die werkt overal ter wereld. We rijden over een zandweg door een dorpje en alle kinderen die ons zien roepen ‘jambo’. Allemaal. Echt.

Ik rij misschien twintig, misschien langzamer. Dan hoor ik een jammerlijke kreet. Ik kijk om me heen en zie verderop een kindje. Maakte die dat geluid?  ’My dog’ roept Mohammed vanaf de achterbank. Hij is onze vertaler en heeft mooie lippen. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel en zie iets zwarts liggen.

We stappen uit. In de twintig meter die ik er heen loop, zie ik meteen dat er niets meer aan te redden is. Er ligt een klein zwart bolletje pluis met een beetje wit in het zand. Het is een heel jong hondje. Ik ben over zijn hoofd en hals heen gereden. Terwijl hij lag te slapen in het warme zand. Zijn ogen zijn uit de kassen gesprongen. Veel luguberder kan je het niet krijgen.

Hij maakt stuiptrekkingen en ik vraag Mohammed hoe we hem het snelst afmaken. Dat lijkt me wel zo vriendelijk, want dit lijden is zonder noodzaak. Maar Mo antwoordt dat hij al bijna dood is. En inderdaad duurt het geen 30 seconden meer voor het stuiptrekken stopt.

Een jongen pakt hem bij zijn staart. Hij schopt wat zand over de ogen en het kleine beetje bloed dat er ligt en trekt de hond de bosjes in. ‘Hij begraaft hem wel’, zegt Mo. ‘Nu zijn er nog maar drie jongen over’. De moederhond staat inderdaad op afstand te kijken, maar lijkt verbazend weinig geïnteresseerd. Ik blijf sorry zeggen en Mo zegt dat het niet geeft. Hij kijkt er bij alsof het ook echt niet geeft. Hij heeft dit vaker meegemaakt. Net als de moederhond, die alweer een andere bezigheid heeft gevonden.

De enige die dit niet eerder heeft meegemaakt ben ik. Alhoewel. Ik kan me herinneren dat ik ooit met een vriendje een vogeltje vond op de grond. Uit het nest gevallen. Het was een stumpertje, net uit het ei met nog natte veertjes en ogen die niets zagen. Een hopeloze zaak.

We moesten hem uit zijn lijden verlossen. Daar waren we het snel over eens. Maar hoe moesten we dat doen. En belangrijker nog, wie moest dat doen. Veel tijd voor uitgebreid beraad was er niet, want aan onze voeten lag het beestje te creperen. Wij leden onder elke seconde.

Ik weet niet meer waarom, maar de ondankbare taak viel mij toe. Met enige weerzin pakte ik het kleine nekje beet. Ik wachtte. En ik wachtte nog wat langer. Toen zei mijn dappere vriendje ‘toe dan’. In een snelle beweging bracht ik het hoofdje naar de romp en ik voelde het breken. Het stelde eigenlijk niet veel voor. De fysieke daad dan, want psychologisch maakte het wel indruk. Ik legde het vogeltje neer en die begon net zo naar te trekken als het hondje. Dacht je dat je het ergste gehad had, kreeg je dat nog. Het duurde eindeloos.

Mijn vriendje heeft hem geloof ik met de nodige egards begraven. Voor de ceremonie ben ik niet gebleven. Ondertussen rijden wij verder over de zandweg. Net zo langzaam als eerst. Ik kijk nog beter. Achter elke pol gras en elke rots. Ik zie een zwart plastic zakje liggen. Dat denk ik tenminste. Ik rij er op af en het beweegt niet. Ik rij  er over heen en ik luister. Ik hoor niets. Dat klopt, denk ik, plastic zakjes schreeuwen doorgaans niet.

Procrastinating

dinsdag 22 december 2009

Als je een andere taal leert, dan is het altijd fascinerend om te ontdekken dat er woorden bestaan voor dingen die je wel kent, maar die je in het Nederlands niet uitspreekt. Of in ieder geval niet op die manier. Zo heb je in het Portugees het prachtige woord saudade (dat eigenlijk voornamelijk een Braziliaanse uitdrukking is). Saudade hebben -spreek uit soudadjie- betekent dat je iets of iemand mist. Maar op een positieve manier. Bij ons heeft missen de bijsmaak van ontbreken, niet zijn. Maar saudade benadrukt juist dat wat was (of nog steeds is, maar niet voor handen), zonder de nadruk te leggen op het ontbreken daar van. Als ik iemand dat woord hoor gebruiken dan springt er in mijn hart meteen saudade omhoog naar Braziliaanse nachten en stranden.

Je eigen taal heeft soms ook voordelen boven andere. Zo schijnt Engels geen woord voor huppelen te hebben en wij wel. Wat niet per se inhoudt dat de gehele Angelsaksische wereld niet kan huppelen, maar waarschijnlijk wel dat wij het beter kunnen. Het Engels heeft daarentegen een prachtig woord voor iets dat veel essentiëler is in het leven: procrastination. Het woord verwijst naar de -weliswaar passieve- daad van het uitstellen van dingen, die je eigenlijk nu zou moeten doen, tot een later tijdstip. Een fenomeen dat we allemaal kennen.

Natuurlijk hebben wij wel woorden als uitstellen of vooruitschuiven tot onze beschikking, maar die benadrukken niet zo zeer de specifieke act van en de zwaarte van het procrastinating. Je kan immers ook iets uitstellen dat je leuk vindt, juist om tijd te maken om bijvoorbeeld de belastingpapieren in te vullen. In dat geval is het uitstellen geen daad van procrastination, maar juist bijzonder verstandig en praktisch het tegenovergestelde.

Procrastinating heeft een gevoel van ‘tegen beter weten in’ dat er aan vast kleeft. Je zou het nu kunnen doen en dan was je er van af, maar je voelt zoveel weerzin dat het je niet lukt om je er toe te zetten. Het drama van procrastinating zit hem niet in de daad van het uitstellen, maar in het feit dat je de tijd dat het vervelende klusje voor je uit schuift niet half zo prettig besteedt als wanneer je al klaar was geweest. Ergens in je achterhoofd weet je dat je enkel de tijd zit te vullen tot je niet anders kan dan er aan beginnen.

Vooral wanneer ik papers moet schrijven voor mijn studie breng ik veel tijd procrastinatend door. In de loop der jaren ben ik er achter gekomen dat er ook een bepaalde hoeveelheid tijdverdrijf nodig is om tot een zeker niveau van productiviteit te komen. Jammer is dat je die tijd altijd besteed aan zaken met een hoog nutteloosheids gehalte. Procrastinating is per definitie een soort van lummelen, bevredigend voelt het nooit. Dat kan ook niet, want dan zou je vergeten wat je aan het uitstellen bent. Zo heb ik in de afgelopen week, waarin ik het bijzonder druk had, de tijd gevonden om de nieuwe rubiks cube (de rubix 360) op te lossen, heb ik mij bekwaamd in het race-spelletje GTA 3 en heb ik al mijn iTunes files gecategoriseerd in puik georganiseerde afspeellijsten.

Toch weet ik dat het niet voor niets is. Na een -helaas- onberekenbare periode van rommelen, breekt dan ineens het moment aan dat ik de deadline voel naderen en ga ik aan het werk. Uiteraard had ik voor de tijd van procrastinating al wel een hoop gelezen over het thema van mijn paper en, wonder boven wonder, lijkt al die informatie dan te zijn gesetteld op de juiste plek en tekent zich de structuur af van een verhaal. Dat moet ik dan natuurlijk nog wel op papier krijgen, maar in de praktijk is het meestal zo vervelend nog niet. Bovendien heb je achteraf het bevredigende gevoel dat je echt iets gepresteerd hebt en, beter nog, dat je echt even lekker kan ontspannen als het straks af is.

Geen Gorilla’s

dinsdag 1 december 2009
Je pakt mijn hand, ik zie hier niet,
we verdwalen in dit land, huilende wolken,
geen verdriet
mijn ogen dicht, geconcentreerd
de lucht op mijn gezicht, wordt vloeibaar,
condenseert
wereld van water, het is lopen of zinken,
verstomt in fluisterstil geklater, dauw ademen,
verdrinken
het vaste verliest zijn vorm, het droge,
de druppel wordt de norm, we lossen op,
vervlogen

24

donderdag 29 oktober 2009

Toen ik klein was vond ik het altijd moeilijk om de leeftijd van volwassenen te schatten. En nu ik dan eindelijk ‘groot’ ben, vind ik het juist weer moeilijk om de leeftijd van kinderen te raden. Ik bedoel, wat onderscheid een tienjarig van een achtjarige?

Niet dat zoiets ooit een probleem is. Kinderen vertellen je graag, al dan niet met behulp van vingers, hoe oud ze zijn. Daar moet je bij een volwassene eens om komen, die geniepig hopen dat je hen per ongeluk jaren jonger schat. En dan heel gillerig gaan doen als je er, met je kinderlijk naïeve gebrek aan tact, ruim tien jaar boven zit. Ik snapte daar nooit veel van.

Maar leeftijdsfixatie is mij niet vreemd. Het schijnt dat ik naar mijn derde verjaardag maanden lang heb toegeleefd. Waarschijnlijk ook, omdat de tijdsspanne van een week of een maand mij nog niet duidelijk was en ik dus dagelijks naar de stand van zaken ontrent de nog te wachten periode moest vragen. Bovendien mocht ik met drie doorstomen naar de oudste peuters op de crèche en al jong was ik in dat soort zaken ambitieus.

Nu word ik over een poosje vijfentwintig en sommigen denken dat dit het einde is van de jeugd. Ik niet. Ik had meer dat gevoel bij vierentwintig. Dat had ook een reden.

Toen ik een jaar of veertien was, heel stereotype, hield ik er van om mij te onderscheiden van het gewone gepeupel bij mij op school. Daar kon ik mij behoorlijk voor uitsloven en zo kwam het ook dat ik bedacht had te weten dat ik op 24 jarige leeftijd zou overlijden. Dat leek me toen nog een eeuwigheid ver weg. Bovendien stierven beroemdheden jong en op een dergelijk leven had ik mij wel ingesteld.

Ik bracht het verhaal met een zeker arrogantie en iets blasés -wat mij toch al eigen was- en dus joeg ik een paar brave meisjes uit mijn klas de stuipen op het lijf met dit merkwaardige gedrag. Het werkte niet bij iedereen. Dat wil zeggen, niet bij die mensen waar het mij het meest om ging. En zo stierf deze creatie een zachte dood. Tot ik 24 werd. Blijkbaar had het verhaal toch meer indruk achter gelaten dan ik gedacht had, want vrienden begonnen me er aan te herinneren. Juist ja, die mensen die ik er toen mee had willen imponeren, maar die er geen oor voor hadden. Dat dan weer wel.

Natuurlijk wist ik zelf, beter dan wie dan ook, dat het gewoon een verzonnen verhaal was en dat er nooit enige aanleiding -van hogerhand of wat dan ook- was geweest waar het op gebaseerd was. Maar daar zit je dan met je bijdehante gedrag en je 24 jaar. Weet je het dan nog wel zo zeker allemaal.

Vooral voor ik op vakantie ging dit jaar, op de motor, heb ik een aantal dromen met nare eindes gehad om dit zelfverzonnen jeugdtrauma te verwerken. Wat in zekere zin wel ironisch is en wat ik natuurlijk ook wel verdiend had. Zo heb ik dan tien later toch nog geleerd dat je beter niet met de dood kan spotten. Zelfs al gaat het over je eigen.

Mocht ik toch nog komen te overlijden dit jaar, dan heb ik daar alvast een gedichtje bij gecomponeerd. Immers, je wilt op je begrafenis toch niet afhankelijk zijn van het werk van anderen:

als ik sterf

leef ik mijn leven

als ik sterf

leef ik mijn droom

als ik sterf

denk dan voor even

sterven is ook heel gewoon

Herfst

vrijdag 2 oktober 2009

Het is een gokje, maar ik ga hem toch wagen. Immers wat is het leven zonder risico’s -een waarheid overigens waarmee mijn moeder het pertinent oneens is.

Komt ie: volgens mij is de herfst gisteren officieel begonnen. Figuurlijk officieel dan, want letterlijk begint de herfst officieel op 21 september. Maar gisteren was het voor het eerst zo’n druilerige grijze dag, waar er ongetwijfeld nog vele van zullen volgen. Het type dag waarop het nooit echt licht lijkt te worden en je in de continue veronderstelling bent dat de dag nog moet beginnen tot het moment dat het duister werkelijk indaalt en het alweer nacht is.

Had ik de dag er voor nog lekker in mijn hangmat in de zon zitten baden en leek het alsof dat genot zich nog eindeloos uit zou spreiden; na deze dag wist ik wel beter. De hangmat kon de kast in.

‘Ik heb zin in de zomer’ klaagt huisgenoot F, die er blijkbaar geen genoeg van kan krijgen, luidkeels aan de eettafel, gezeten achter haar tosti. Het is half twaalf ’s ochtends en we hebben het licht aan om de krant te kunnen lezen.

Maar gek genoeg verheug ik me eigenlijk wel op het nieuwe seizoen. Ik heb me al een paar weken geleden voorgenomen dat ik dit jaar eens ga genieten van de herfst. Van motregen en een tapijt van dode bladeren op de grond. Van paddenstoelen en de geur van schimmel en spinnen in grote webben waar regendruppels in hangen. Van je flink warm aankleden en het dan alsnog koud hebben of helemaal kletsnat regenen op de fiets. Van het feit dat het niet uitmaakt wanneer je opstaat of naar bed gaat, omdat er toch geen zonlicht te bekennen is.

Waarom? Ik zou eerder zeggen ‘Waarom niet?’. Het zou toch geniaal zijn als je kon genieten van al die dingen waar je normaal tegenop ziet. Uiteindelijk ben ik het zelf die uitziet naar de lente, waarom zou ik niet hetzelfde kunnen doen met de herfst?

Het is slechts een experiment, daar ben ik eerlijk in, maar eerder dit jaar heb ik een vergelijkbaar experiment succesvol afgesloten. Ik wou een nummer van the Rolling Stones downloaden voor een bekende, maar dat ging alleen als ik het gehele oeuvre van de band zou overnemen van het internet. Nou had ik Gigabites zat en tijd genoeg, dus dat deed ik dan maar, alhoewel ik niets met de muziek had. Ik vertelde dit aan een vriend en grapte dat ik nu ook maar fan moest worden.

-       Ik denk niet dat het zo werkt

-       Dat wil ik wel eens zien

Twee weken later was ik fan. The Rolling Stones bleken niet de harde rockband waar voor ik ze altijd gehouden had, maar grossierden in mooie melancholische muziek en lekkere associatieve teksten. Dat paste toevallig uitstekend bij de mindstate waar ik in die tijd in verkeerde. Toegegeven, dat was een bijkomstigheid die het experiment wellicht positief beïnvloedde, maar in de wetenschap kan je altijd maar met een beperkt aantal variabelen rekening houden.

Waarmee ik niet meer of minder wil zeggen dan dat ik hooggespannen verwachtingen heb van deze herfst. Wie mee wil doen is van harte uitgenodigd. Ik denk zelfs dat we met meer deelnemers onze kansen op een onvergetelijke herfst aanzienlijk vergroten.

Terug

vrijdag 11 september 2009

-       Die maaltijdsalades van de Albert Heijn zijn toch eigenlijk best lekker

-       Alles is lekker als je in India geweest bent.

-       True that

Toch zit ik, in de laatste zonnestralen van die dag op een grasperkje ergens in Amsterdam, ontzettende te genieten van deze wegwerpmaaltijd. Ik eet hem wel heel Indiaas; met mijn rechterhand, waar de dressing vanaf druipt. Het smaakt vast beter dan het er uit ziet.

Zulke survivalskills pik je dan wel weer op aan de andere kant van de wereld. Ik bedoel, mocht ik nog eens vast komen te zitten op een onbewoond eiland, dan kan ik daar ook zonder bestek overleven. En zonder toiletpapier. Want in India doen ze het ook zonder toiletpapier. Daar hebben ze hun linkerhand voor. Geen bestek en geen toiletpapier, superpraktisch. Dat scheelt weer een miljard mensen die je daarvan moet voorzien.

Er zijn meer zaken waar ze het India zonder kunnen. Zo kan je er motorrijden zonder helm, zonder rijbewijs, zonder benzine (bergafwaarts dan) en zonder accu (je moet hem even aanduwen, maar dan doet ie het prima). Je kan er hotelkamers krijgen zonder licht en met een shower zonder douche: ‘Where is the shower?’ vraag je met gespeelde verbazing, want je weet het al lang. ‘Bucket shower’ zegt de eigenaar met stralende glimlach en bijhorend wiebeltje met zijn hoofd en wijst naar een vaalgroene emmer die troosteloos onder een kraan staat die zachtjes drupt. Vervolgens kan je dan wel weer 100 rupee van de prijs af kletsen, maar voor dat geld sta je later wel water over jezelf heen te scheppen uit die emmer, die tevens dient om het toilet mee door te spoelen en om je was in te doen. Wederom heel praktisch.

Ondanks deze simpele voorzieningen krijgen de Indiërs het altijd voor elkaar om er heel schoon uit te zien - gezien die linkerhand kan je je afvragen hoe schoon ze dan werkelijk zijn, maar het is beter om daar niet te veel bij stil te staan. Vrouwen zijn vaak gehuld in kleurige doeken en mannen in een nette broek en overhemd, immer gestreken en zonder vlekken. Terwijl het niet meevalt om schoon te blijven tussen al het straatvuil, de koeien en de onwaarschijnlijke hoeveelheid menselijke en dierlijke uitwerpselen. Persoonlijk zat ik de gehele twee maanden onder de olie, smeer, zand en stof. Ik weet niet wat de Indiërs er van dachten, maar zelf vond ik het heerlijk. Ik heb, denk ik voor de eerste keer in mijn leven, een hele week mijn haar niet gewassen en op reis door de Himalaya heb ik dagenlang mijn kleren niet uitgetrokken, omdat ik er simpelweg te moe, te koud, te lui of te hongerig voor was.

Ik weet dat het niet iedereen z’n hobby is, maar ik vind afzien toch wel de ultieme manier van ontspanning. En dan ben je in India op de juiste plek. Bovendien geniet je dan in Nederland weer van heel gewone dingen, zoals salades van de Albert Heijn, prepacked, gemaakt zonder liefde, maar ook gegarandeerd zonder allerlei nare bacteriën en vol lekkere e-nummers. Ja, ik had graag wat langer in India willen blijven, maar bij het eten van deze salade voelde ik dat het ook goed was om ‘terug’ te zijn.

Bach

woensdag 17 juni 2009

Als er in de baarmoeder muziek wordt gedraaid -en ik weet wel vrij zeker dat zulks het geval is- dan spelen ze daar Bach. Niet zomaar Bach, geen cantates ofzo. Maar enkel de vioolsonates. Steeds weer opnieuw, maar het verveelt niet. Het is zoals het ademen van lucht, hoe zou dat kunnen vervelen? Ademen kun je als foetus nog niet. Maar in plaats van zuurstof stroomt Bach door je lichaam, in en uit, kriebelt tussen je tenen, deint over je wervels en kleeft achter je oren.

Eenmaal door het geboortekanaal verstomt de muziek tegen de achtergrond van de wereld. Toch blijft het de eerste paar levensjaren nog wel opduiken op bijzondere momenten. Helaas is dit nog voor dat het geheugen is begonnen met het opslaan en categoriseren van alles dat van belang lijkt. Langzaam wordt bovendien het rationele wezen in je wakker dat analyseert, praat, observeert en nadenkt en daar altijd, maar dan ook altijd, dag en nacht, onvermoeid mee door gaat. Daarmee maakt je hoofd zo veel lawaai dat de zachte, heldere tonen van de violen dat onmogelijk nog kunnen overstemmen.

Hoe ik dat weet? Nou, weten is wel een groot woord. Het is meer een vermoeden. Maar wel een sterk vermoeden. Hoe kan het anders dat ik mij bij het horen van de vioolsonates voel veranderen in een klein kind. Een onnozel hummeltje dat net kan lopen, maar nog niet praten. Dat zonder zelfbeeld en zonder begrip in verwondering tegenover de dingen staat. Op een zondagochtend op een kleed in woonkamer, terwijl mijn papa op de bank ligt en wappert en krakende geluiden maakt met een krant. Of tijgerend over net gemaaid gras op een dag vroeg in de lente op weg naar een vogeltje dat zich snel uit de voeten maakt.

Bach heeft iets te maken met jong kindergeluk. Van een leven dat je weliswaar niet overziet, maar dat een interne structuur lijkt te hebben die klopt als een bus en waarvan je ouders precies op de hoogte zijn. Met eten om zes uur ’s avonds en naar bed gaan na Sesamstraat. Aangekleed worden als je wakker wordt en roosvicee met een fruithapje in de ochtend. Simpel en voorspelbaar en toch elke dag weer goed. Net als de muziek; mooi en licht en precies, exact, perfect kloppend. elk moment, elke noot. Niet omdat je het al zo veel vaker gehoord hebt, maar omdat het gewoon niet anders had kunnen zijn.

Ik zou nog graag af en toe een dagje zo jong willen zijn. Onhandig in een wereld die niet op jou is aangepast. Met knoppen op toestellen en laatjes in kasten waar je net niet bij kan. Met armen die te kort zijn om over je hoofd te reiken en beentjes die maar met moeite dappere stappen kunnen maken. Waar grote handen je optillen als te ver weg raakt en je weer terugzetten waar je begonnen was. Koesterend en liefdevol, niet bestraffend. Verantwoordelijkheid is iets van later.

Natuurlijk is het allemaal niet zo rooskleurig, maar die weemoed komt ook voort uit de muziek. Ik denk dat Bach nog melancholie kan opwekken bij mensen die zich helemaal niet kunnen beroepen op gelukkige jeugdherinneringen.  Of zou ik de enige zijn die er deze emotie bij heeft? Misschien was mijn peutertijd wel een lange zondagmorgen. Eigenlijk weet ik er nog maar bar weinig van. Maar als u mij excuseert, dan luister ik nog even verder.

wachten

maandag 8 juni 2009

Je kan het leven zien als een aaneenschakeling van wachten. Je wacht op de bus, je wacht op de pauze, je wacht op een vriend, je wacht op morgen, je wacht op je vakantie en op vakantie wacht je weer op de bus. Wachten is een zekere staat van zijn: je bent hier, maar je wil daar zijn. Meestal is het slechts tijd die je scheidt van je doel. Het fijne van tijd is dat het automatisch verstrijkt. Wat dat betreft is wachten op z’n minst een bezigheid waar immer een vorm van progressie inzit.

Een nadeel van wachten is dat je vaak niet weet hoe lang het gaat duren. In dat geval was het ook eigenlijk geen wachten meer, want je zou iets met je tijd kunnen doen: er een boek bij pakken of een even lekker gaan bellen bijvoorbeeld. Echt wachten is onbestemd wachten. Met de vraag in je achterhoofd of het überhaupt nog wel gaat gebeuren. Kan je soms beter iets anders gaan doen en de boel de boel laten? Op zo’n ingewikkelde vraag kan de gemiddelde mens zich behoorlijk stuk bijten, irritaties en frustraties zijn daarom bekende nevenverschijnselen van het fenomeen wachten.

Er zijn ook mensen die beweren dat je nooit wacht. Dat je elk moment kan zien als vervuld in zichzelf. Dat je juist de minuten voor de bus komt, kan aangrijpen om het Nu mee te maken en volledig tot jezelf te komen. Dat je elke regendruppel die op je neerklettert kan ervaren en kan genieten van het geluid dat voorbijrazende auto’s produceren. Als je van elke seconde zo’n feestje maakt, wacht je weliswaar nog op de bus, maar dan ervaar je het niet meer alsof je tijd moet overbruggen naar het straks. Ik kan je verzekeren dat deze levensinstelling niet voor iedereen is weggelegd.

Maar dat is ook maar fijn, want wachten heeft ook hele goede kanten. Mijn persoonlijke favoriete voordeel van het wachten is het verheugen. Ook wel ‘voorpret’ genoemd. Daar kan ik mij aan laven. Een mooi vooruitzicht van een spannende reis kan mij door weken druilerige collegedagen en eenzame studerende nachten heen helpen. Bovendien is wachten een uitstekend moment om eens te dobberen op de lome spinsels van je fantasie. In feite is dat niet zo gek veel anders dan je verheugen, alleen sla je dan even over dat het nooit werkelijk plaats zal vinden.
Uiteindelijk is wachten misschien wel net zoiets als je vervelen. Je vraagt er niet om en je zoekt het niet op, maar ergens raakt het aan de essentie van het zijn. Het zijn precies die zaken die de mens onderscheiden van het dier. Denk daar maar aan als je de volgende keer staat wachten.


TV Gids