Auteur archief

De blues, een definitie van

donderdag 10 februari 2011

Ik kan me niet meer herinneren hoe het is om in de baarmoeder te drijven,
maar regelmatig heb ik er een verlangen naar.

Laatst nog.
Mijn portemonnee werd  gestolen en ik stapte diezelfde dag nog in de poep.
Het was de dag dat ik ontslagen werd
en ook de dag dat mijn zus vertelde dat ze zich wilde laten ombouwen.

Tot wat dan?!! Riep mijn vader.

Mijn zus keek niet op en zei:
Ik weet niet of ik een man wil worden, maar ik wil iets worden dat ik niet ben.
Ik wil me laten ombouwen, het maakt niet echt uit in wat.

Mijn vader zei dat je je alleen tot man kon laten ombouwen, maar daar twijfelde ik aan.
We zochten het op internet op. “niet alleen tot man laten ombouwen”
had ik ingetikt.
Er waren 40.600 hits.

Er was een Bulgaarse man die zich had laten ombouwen tot Lady Gaga. Een Soedanese vrouw had zich laten ombouwen tot Obelix.
Er waren 3 mensen die zich hebben laten ombouwen tot een Siamese tweeling.
Er is een iemand die zich geprobeerd heeft te laten ombouwen tot een sidderaal.
De dokter die op dat verzoek in ging, maar er jammerlijk in mislukte,
had ook iemand omgebouwd tot een Neo Nazi, en dat was wel gelukt.

Ok. Zei mijn vader.
Nou je hebt dus zes mogelijkheden: Lady Gaga, Obelix, een sidderaal, een NeoNazi, een siamese tweeling, en een man.
Mijn zus zei dat de Neo Nazi haar het meest haalbaar leek, maar ze wilde geen neonazi worden.

Mijn vader mompelde dat ze het zelf maar moest uitzoeken, en liep de kamer uit.

Ik bleef achter, samen met mijn zus.
Dat was de dag dat ik verlangde naar de baarmoeder
en ik kwam er achter dat mijn zus dus al jaren naar de baarmoeder verlangde.

Misschien was het wel een te aangename plek en zijn we op bepaalde momenten liever daar.
Ik zei dat ze zich misschien tot schipper kon laten ombouwen
dan kon ze de hele tijd afdrijven.

We zeiden de vijf minuten daarna niks
maar ik vermoed dat we allebei hetzelfde dachten:
als het risico om je tot sidderaal te laten ombouwen kleiner was -

Dan hadden we dat misschien allebei wel gedaan.

vrijdag 14 januari 2011

Een blauwe jas.

Al vanaf vier september smachtte ik naar de blauwe jas die ik in de etalage van een winkel had gezien.
Daarna had ik hem gepast.
Als gegoten.
Ik ging twee weken later terug en toen heb ik hem weer gepast.
Als gegoten.
Ik belde mijn vader, om te vragen of ik hem voor mijn verjaardag mocht, deze goddelijke jas.
Ik ben achtentwintig december jarig, dus dat was de eerste gelegenheid in het vooruitzicht waarbij ik deze jas kon bemachtigen.
Ik vroeg aan de vrouw of ik hem kon twee maanden kon laten wegleggen.
Ze vroeg of ik iets dierbaars had om achter te laten, zodat ze me kon vertrouwen. Het enige echt dierbare dat ik op dat moment bij me droeg waren mijn wollen sokken, maar mijn wollen sokken hoefde ze niet.
Paspoort?
Maar aan mijn paspoort ben ik niet gehecht.
Geef toch je paspoort maar.
Ook al zei ik dat ik er niet aan was gehecht, vond de vrouw toch dat dat mijn meest dierbare bezit was.

Daarna veel dagen waar sneeuw op lag en daarna lag er kou op en lang bleven we binnen.

Zeventien december was de dag dat ik mijn chique, wollen jas mocht ophalen.
Hij zat weer als gegoten en ik kreeg er twee zeepjes bij.
Ik had speciaal mijn Japanse instapschoenen aangedaan, omdat ik wist dat die bij de jas zouden staan.
Ik liep in mijn jas door de stad en merkte dat niemand doorhad dat ik net een nieuwe jas aanhad.
In de aanloop tot het kopen van de jas had ik gedroomd van de buitenwereld die zou denken: wat een jas. Hij is goddelijk, en tegelijkertijd onopvallend.  
Ik kon niet aan de buitenwereld aflezen of ze dat dachten, maar wat mij betreft zei deze jas dat.
 Ik weet dat jassen niet kunnen spreken, maar als deze jas ooit een contact advertentie had geplaatst dan zou er het volgende instaan:

Jas
zkt innemende, mooie persoonlijkheid om te omhlzen.
 Iemnd die er niet om vrgt gezien te wrden, mr als dat pr abuis gebeurt
dn ziet men iets moois. K bn meegaand, warm, vr slechts weinigen gegoten.

Nu durf ik niet te zeggen dat het over mezelf gaat, maar ik hoop dat dat ooit over mij zal gaan.
‘iemand die er niet om vraagt gezien te worden, maar als dat per abuis gebeurt, dan ziet men iets moois.’
Voorlopig vraag ik er nog om gezien te worden, anders zou ik geen sprekende jas kopen.
In dit stadium van mijn leven heb ik daar nog geen problemen mee, dus dat is niet het dragende conflict van dit stukje tekst.
Het dragende conflict gaat als volgt:
De jas is veel te chique voor mij. De rest van mijn klerenkast steekt er nu wat shabby bij af.
Ik steek er shabby bij af.
Ik heb een jas gekocht die ‘out of my league’ is, waardoor ik mezelf middelmatig heb gemaakt.
 Nu denkt iedereen:  wat doet die goddelijke jas om dat middelmatige meisje?
En nu moet ik dus heel wat dingen doen om die jas te kunnen dragen.
Ik moet ten eerste astronomie studeren.
Vervolgens moet ik heel goed piano kunnen spelen en liedjes kunnen schrijven over de stand van de sterren.
Ik weet waarom de pygmeeën niet groter worden en wat de precieze invloed van Amerika is op ons zelfbeeld.
Ik had geen goede voornemens, maar deze jas dwingt mij ertoe.
Hij dwingt mij mijn borst te heffen en altijd goed na te denken, omdat die jas zo perfect gesneden is.
Het zou raar zijn als ik zelf dan niet in staat ben om perfect gesneden dingen te zeggen.
Dingen zoals: ‘Ik ben nog maar vijfentwintig en nu al voel ik dat elk geluk onherroepelijk gevolgd wordt door verdriet. En als dat niet zo is, dan was het geen werkelijk geluk.’
Een zin die ik heb moeten bedenken om de deur uit te kunnen in mijn gesneden jas.
Het stopte met sneeuwen, nog voor ik de straat uit was.
Ik moest denken aan de vrouw van de winkel. Ze zei dat het een exclusieve jas was.
Dat er maar vijfentwintig van gemaakt zijn. Toen keek ze zorgelijk en zei ze dat er ook nog wel mensen en andere jassen bestonden die leken op mijn nieuwe blauwe jas.
Gelukkig maar ! zei ze opgelucht.
Waar moet de rest van de wereld anders zijn argumenten vandaan halen om nog astronomie te studeren vandaag de dag?
 Ze deed de zeepjes in mijn tas.
Ik liep door, al weet ik niet meer waarheen. Ik moest nergens heen, maar ik moest een wandeling doen om mijn jas te kunnen dragen.
De sneeuw heb ik die dag niet meer zien vallen, maar ik weet zeker dat er genoeg sneeuw lag voor alle Joodse jongetjes
die op de valreep nog een Chassidische sneeuwpop wilden maken.

Een pressiegroepje

vrijdag 17 december 2010


Dus ik was met een aantal vrienden naar de film ‘Enjoy Poverty’ gaan kijken. De film
‘Enjoy poverty’ is een documentaire van Renzo Martens, waar hij zelf de hoofdrol in speelt.
Een rol waarbij hij tegen Congolezen vertelt hoe ze hun eigen armoede moeten uitbuiten.
Als er nog iemand een uitgesproken gevoel wil hebben, ga hem dan kijken.
De film werd gedraaid in de filmacademie in Amsterdam, en na de film moest er een discussie over ‘geëngageerde kunst’ komen tussen Joris Luyendijk en de zaal, die dus op dat moment werd bevolkt door mensen van de filmacademie.
Een discussie dus, die Joris Luyendijk inluidde met de stelling dat geëngageerde kunst  alleen maar een excuus is om niks echt te doen. Bijvoorbeeld aan de armoede in Congo.
Je hebt volgens Joris L. twee groepen mensen.
1. De beperkte groep mensen die zich bewust zijn van de problematiek in de wereld.
2. De groep mensen die dat nooit gaan worden,
hoeveel subsidie daar ook ingestopt wordt.
De mensen die bewust kúnnen worden, zijn dat al. Dus kunst om ‘mensen bewust te maken van mondiale ellende’ is zinloos. Sterker nog, het is een alibi voor afzijdigheid.
Zo werd de discussie ingeluid.
Ik kan me moeilijk voorstellen dat die veronderstelling klopt.
Als je je echt bewust bent van alles en de tijdelijkheid van het universum en stervende kinderen voor het kapitalisme, dan ontplof je waarschijnlijk.
Ik ontplofte al bijna, toen mijn broer na de discussie zei: laten dan maar een pressie groepje oprichten en iemand anders antwoordde: dat wil ik niet.

Nee, natuurlijk wil ik ook geen pressie-groepje oprichten, maar als die meneer gelijk heeft
dan betekent dat
dat we een plicht hebben.
Een soort dienstplicht.
Dus dan moeten we een pressie-groepje oprichten.
Wij kunnen bijvoorbeeld Senegal nemen. Fuck it. Laten wij gewoon Senegal nemen.

De middag liep af.
Twee slapeloze nachten.
Die week nog heb ik met Tom, mijn buurjongen, een pressiegroep opgericht.
Ik had het wel aan meerdere mensen gevraagd, maar de enige avond die ik nog over had voor het pressiegroepje was maandag, en Tom was de enige die ook maandag nog vrij had.
We hadden vijftien flyers uitgeprint en twee potloden laten drukken met: “pressie met tom en bekkie.”
We wisten ook wel dat dat geen ideale naam was, noch het ideale lettertype, maar voor een potlood vonden we het wel geschikt. Nadat we de potloden hadden opgehaald bij het copycenter kochten we een agenda om een datum te prikken voor de dag dat we pressie zouden uitoefenen.
De dag hadden we vrij snel: maandag.
Maar toen kwam er een ander probleem op de proppen voor  “pressie met tom en bekkie”:
We vonden geen instanties om druk op uit te oefenen. Het groepje dacht aan unilever, maar de oom van Tom werkt daar.
Het groepje vindt voorlopig alleen maar dingen die kunnen afleiden, zoals bijvoorbeeld  voetbal.
En kegelen. Misschien moet er meer gekegeld worden, dacht Tom.
Het groepje dacht ook aan close harmony formaties.
Kofi-annan, Poetin, Chavez  en een onschuldige burger heel dicht tegen elkaar
 vierstemmig
Er staat een paard op de gang
I’ve got the World on a string
de meeste dromen zijn bedrog.
En nadat Marco Borsato helemaal uitgezongen was, had de onschuldige burger voorgesteld om ‘Preitjes op mijn Dijtjes’ te zingen, maar daar had Poetin nog nooit van gehoord.  
Ook van Hallelujah had hij nog nooit gehoord
en zelfs ‘let it be’ zei hem niks. Kofi natuurlijk verontwaardigd, en wel zo dat hij Poetin direct
‘Preitjes op mijn Dijtjes’ begon aan te leren.
De onschuldige burger leerde hem vervolgens ‘let it be.’
Ze hadden het lokaal maar tot half zes kunnen reserveren, want elke dinsdag zaten daar vanaf half zes vijftien Mandarijnen voor de Engelse les.
Dus Poetin, Chavez, Kofi Annan en de onschuldige burger verlieten het lokaal op tijd en aten samen in de dichtstbijzijnde pizzeria. Ze drukten elkaar op het hart dat ze dit vaker moesten doen.
En of iedereen volgende week vrij was.

-
Zelfs de onschuldige burger durfde zijn agenda niet open te doen.

je had de sponsorloop

woensdag 6 oktober 2010

 
Je had de sponsorloop heen en weer
tussen twee bruggen voor het goede doel
altijd dezelfde bruggen en altijd maurice.
elk jaar te dik voor de sponsorloop maar hij moest. zijn moeder
had het georganiseerd waardoor de grenadine te zoet was

Je had schoolzwemmen. de een na de ander achter elkaar naar de overkant / terug
de overkant
niemand inhalen
niemand als eerste
(er zaten mensen aan de kant te kijken en te wachten tot we opdroogden)

Je had de brief voor de prik. de enige brief die we ooit kregen
en móesten bewaren.
het werd een schoolreis
de moeder van maurice ging ook mee met haar handen
zodat je erin kon knijpen
het was de gelegenheid om niet te huilen
in het bijzijn van anderen

Je had het toneelstuk aan het einde. de woestijn heette het
maurice en ik de oase, martin de cactus en verder nog bedoeïen en een schaduw
mitchell die het doek ophield
+ de sterrenhemel
de aankondiging van de pauze
de palmbomen
de zandstorm
iedereen was er, er waren zelfs dubbelrollen, al vanaf het begin

Je had de middelbare school. er liep een jongen rond
die een draak op zijn hand getatoeëerd had
er waren voor of tegenstanders. als je niet voor was was je tegen en zo was iedereen
Je had de maatschappij waar we
het over moesten hebben
terwijl iedereen wist dat als maurice het over de maatschappij had
dan had hij het over jantine die hem had afgewezen

Je had weer een brief voor de prik.
voor niet-huilen in het bijzijn van anderen kregen we niks meer bovendien
was er weinig tot niets
overgebleven.

de schaduw voor de bedoeïenen
had geen zin meer al wilden we het
en
wat onze ziel was
wist niemand nog - maar maandag moest het al af zijn.

de bel ging. We mochten naar huis.

maurice zei dat hij vurig hoopte dat niet alle zielen verdeeld zouden worden
door de jongen met de tatoeage op zijn hand
maar niemand luisterde.
Iemand nam afscheid, slofte naar huis.

Ik denk dat het Martin was. Een voorstander.

Welcome to Matala, George !

woensdag 28 april 2010

 

In het zuiden van Kreta, op een strandje tussen de rotsen werd ooit een George verwacht.
Op een muur dat het einde van het strandje aangeeft staat het in een zogenaamd hippie-handschrift.
(welcome to matala, george!)
Matala is een kuststad, waar in de rotsen aan het strand een Romeinse begraafplaats ligt gehakt.
Romeinen maakten kleine kamertjes voor de doden, zo ook in de rotsen van Matala.
Voor de doden reserveerden ze het beste uitzicht.
Dat vonden de hippies nogal gek en niet terecht bovendien, dus trokken ze met hun knapzak die rotsen in.
Ze besloten er te blijven, op het strand en in de rotsen, waar ze zo dicht mogelijk tegen de doden aan sliepen.
‘they brought it to life,’ zegt de eigenaar van het visrestaurant dat op het strand staat.
Het was een vreemde situatie.
 De eigenaar wenkt mij, terwijl ik over het strand loop. Hij biedt mij iets te drinken aan, nodigt mij uit op zijn lege terras.
Ik heb vaker in zo’n tweestrijd gestaan.
Eigenlijk is er geen aanleiding voor ons gesprek, en ik heb nu toevallig een wit doorschijnende jurk aan zonder bikini bovenstuk eronder, want die ben ik kwijt geraakt.
Maar op zich moet zoiets kunnen, denk ik.
Ik vraag me af, wat een hippie in dit geval zou doen.
Die zou me waarschijnlijk complimenteren met mijn outfit.
En daarna iets gaan drinken.
Ik ga zitten, omdat ik ook graag een hippie was geweest als ik daar de kans toe had gehad en het karakter.
Hij schenkt water voor mij in, en hij gaat vervolgens zwijgend naast mij zitten.
‘The life is over,´ zegt hij kijkend naar de zee.
‘You very white. Be careful for sun.’
Ik knik. Ik dacht dat ik inmiddels gewoon ‘white’ was, en niet meer ‘very white.’
‘The life is over,’ zegt hij.
‘If you let yourself care about money, you are going to be dead. Dead with your eyes open.’
Hij zegt verder weinig, waarschijnlijk omdat het leven afgelopen is
en post scriptums moet je kort houden.

Op het strandje van Matala sliepen Bob Dylan en Cat Stevens.
George verwelkomende men met een geschilderde muur.
Waar ook nog opstond: today is life, tomorrow never comes.
Madeliefjes ernaast.
Ze leefden van hun geluk.
Ik vertrek op het terras van de man, omdat ik niet moet ontkennen dat hij de hele tijd naar mijn borsten aan het kijken is, en ik dat niet leuk vind.
Wat de hippies ook beweren.
Ik ga kijken in de rotsen, waar vroeger de doden met rust werden gelaten.
Waar de hippies daarna in vrede lagen te slapen, waarschijnlijk met de gedachte dat het leven nu aan het gebeuren was.
En dat als je maar zo lang mogelijk vandaag leeft, dat morgen inderdaad niet komt. Zich omdraait en ergens anders naar toe gaat.
Ik vroeg me af wat er gebeurd moet zijn, dat iemand genoodzaakt is te concluderen dat
the life over is.
Zonder dat het dus stopt.
Misschien was er een magische zomer, die te magisch was, te mooi, te weinig kapitalistisch, te weinig darwinistisch. Was het een zomer waarvan je hoopte dat heel de wereld het maar kon meemaken. Ook de klootzakken. Gewoon te, zo
dat iedereen daarna moest zeggen dat er iets was afgelopen.

Het is inmiddels een toeristische attractie, wat betekent dat wat daar ooit was, voorbij is. Je kunt er nu alleen nog maar naar kijken, en zelfs dat niet eens echt, eigenlijk.
Er is nu een bordje gemaakt. En een hek voor de rotsen, dat om tien uur dichtgaat.
Er zijn verwachtingen van dit strand, omdat dit strand in boeken staat, veel buiktasjes en witte kuiten.
Maar nu nog niet, want het is april.
De witte kuiten komen meestal in juni pas naar buiten, zegt de eigenaar van het restaurant.
Hij stelt me voor aan de drie laatste hippies, die nu zelfgemaakte armbandjes verkopen.
Ze doen me denken aan de Indianen in Zuid-Amerika. Die nu in een reservaat zitten en voor Indiaan moeten spelen.
Alleen zijn de hippies dan niet de oorspronkelijke bewoners van een plek, maar van een tijd. Van een visie.
Van het geloof in doorschijnende jurken, omdat morgen toch niet komt.

De man op het terras had misschien niet door dat hij het tegen een 24 jarige had. Iemand wiens leven nog moest beginnen.
Ik wilde de man niet teleurstellen, door te zeggen dat het leven helemaal niet is afgelopen.
Het is jullie eigen schuld, dacht ik.
Je hebt het te mooi gemaakt. Je bent ‘hardheid’ vergeten.
Ik liep naar mijn handdoek, kijkend naar een zee die nog lang niet afgelopen leek.
De middag op het strand was uitgestreken, schaduwen waren zo lang als het duurde
en de mensen met wie ik daar zat
vonden elkaar
- onder andere in de overtuiging dat morgen alles beter wordt
terwijl wij ook wel wisten
dat het vandaag al zo goed was, met minstens dertien ijsjes op de kaart die we nog nooit geproefd hadden.

het incident in de Aldi

dinsdag 23 februari 2010

Voor Marijn

(omdat er in de Aldi iets gebeurde, terwijl die klootzak van de Singel nr. 60, moge hij door zijn kinderen een zogenaamde ‘kankerlijer’ genoemd worden, zijn middelvinger naar mijn broer opstak).
(Het incident in de Aldi zou meer waard moeten zijn dan die klootzak)
(De klootzak van de Singel had niet structureel zijn beste beentje voorzet om een cool, groot mens te zijn,
iets dat zijn moeder hem toch nadrukkelijk had opgedragen.)
(Het gaat er niet eens om dat hij zijn middelvinger naar mijn broer opstak.
Door dat te doen, stak hij ook zijn middelvinger naar zijn moeder uit.)

In de Aldi is het altijd druk.
En altijd, is altijd.
Het is zo altijd, dat het de werknemers niet meer kan schelen dat het druk is.
Ze zetten er geen extra kassa´s bij.
Ze nemen geen moeite om iemand aan te kijken, of uit de weg te gaan als het moet.
Het is altijd zo onophoudelijk vol met mensen die goedkoop boodschappen willen doen, mensen die altijd kijken op 1tje meer of 1tje minder, dat ik een ochtendhumeur heb als ik bij de Aldi ben geweest, meestal rond zes uur ‘s avonds.
De Aldi heb ik al vaak genomineerd
Voor een troostprijs.

Ik moet geregeld denken aan de mensen die bij de Aldi werken
En aan feestjes die we misschien kunnen organiseren, om ze op te vrolijken.
En vandaag,
/ tromgeroffel /
heeft de Aldi onherroepelijk een ander gezicht gekregen.

Ik stond in de lange rij.
(Veel mensen gaan ook met twee naar de Aldi, omdat de een dan direct in de rij kan gaan staan, en de ander kan alle boodschappen aanvoeren).
Mensen voerden steeds meer boodschappen aan.
Voor mij stond een vrouw, achterin de zestig vermoed ik.
Ze had een aantal droevige producten, die ik ook geregeld koop, en wat minder droevige producten zoals zout, op de band liggen.
Ze boog zich voorover met een glimlach waar een soort geheim in lag,
alsof ze de kassajuffrouw ging influisteren dat ze de koningin van Engeland was.
Maar in plaats daarvan fluisterde zei: ‘Is Rutger er ook?’
De kassajuffrouw die geen contact maakte, zei: ‘Ja.’
Punt.
De oude vrouw glimlachte nog steeds, ze stond nog steeds voorover gebogen met haar geheim,
en ze zei: ‘Ik ben zijn moeder, ziet u.’
De kassajuffrouw reageerde niet.
‘Kunt u hem misschien hierheen laten komen?’
De kassajuffrouw reageert met een cynische glimlach.
Ik zucht.
Kassajuf drukt op een belletje, waardoor Rutger weet dat hij naar de kassa moet komen.
En daar komt Rutger, met zijn gele karretje
met zijn hangsnor
achter zijn dikke buik
en zijn aldi jas.
Zijn moeder staat inmiddels bij de uitgang.
Ze kijkt naar hem, als een moeder die aan de zijlijn van het voetbalveld staat.
Als een moeder wiens zoon in slow motion uit een raket komt gelopen, een raket die op de maan is geweest.
Ze glundert, en zwaait naar Rutger, die nu voor zijn moeder in zijn karretje draait.

Vandaag was de dag dat de Aldi een plek was waar mensen werken die ooit op het voetbalveld hadden gestaan, met een moeder aan de zijlijn.

Vandaag was ook de dag, dat ik hier een stukje over schreef, en dat ik schreef dat ik feestjes zou willen organiseren voor de mensen die daar werken.
Iets dat zelfs niet in de buurt van waar komt.
Zo iets onwaars zal je niet snel nog tegen komen.
Ik wil dus helemaal geen feestjes organiseren voor die mensen.
Ik durf ze nauwelijks aan te kijken.

Vandaag was het allermeest de dag dat de moeder van Rutger
alles heeft weg-geglunderd voor wie het kon zien.

Tegen haar glunder kon er niks op.
geen eentje meer of minder
geen lang houdbare augurken (die natuurlijk triestig zijn)
geen mensen die proberen voor te dringen
of mensen die lijken op lang houdbare augurken
geen leugens over feestjes

Ik hoop dat het met glunderen zo werkt, dat het in een straal van kilometers doordringt.
Zoals radioactief afval
En dan hoop dat de meerderheid in die twee kilometer
zo gesneden is
dat ze vinden dat een klootzak met een middelvinger
nooit
in de verste verte niet opkan tegen een glunderende moeder.

(Maar zo was de liefde niet.
Ze was een gekke stad, waar de mensen op de balkons verbleken.)

(Een zin van Pablo Neruda, waar ik steeds aan denk.)

The deleted scene´s

vrijdag 8 januari 2010

Beste publiek,
Op woensdag 20 januari heb ik een uur gereserveerd
in het kader van mijn master Woordkunst.
Het wordt een soort monoloog, omdat ik de enige ben die op het podium zal staan.
Ik nodig men bij dezen uit: woensdag 20 januari, Zwarte Zaal in de Singel. (Antwerpen)

Voor de uiteindelijke tekst hebben al veel teksten het moeten afleggen.
Tot aan de 20e, zal ik een aantal verweesde teksten op de Vrijdag zetten.
De eerste staat hieronder.
Een klein kader:
De ik/persoon in onderstaande tekst is Menno. Menno zat vroeger in mijn klas en hij is nu correspondent voor het Midden Oosten. Op dit moment is hij in Tel/Aviv.
Hij weet niet goed meer wat hij schrijven. Hij weet dat hij niet objectief kan zijn, en hij vraagt zich af of hij dan wel eerlijk kan zijn.
Een poging tot een achtergrond artikel voor de zaterdagkrant.

Vandaag zag ik een vrouw met enorm dikke billen. Ze was drie kwartier bezig om haar billen in te smeren met zonnebrand, want ook in alle putten die haar billen bevatten, moet wat zonnebrand liggen.
Ze kent het spreekwoord ‘wie zijn billen brandt’
uit ervaring. Verschillende ervaringen.
Ze heeft een badpak aan waar al haar vet in ligt te rusten. Als ze staat, probeert ze haar buik in te houden.
Ze weet dat ze haar billen niet kan inhouden, maar probeert maar wat, door haar buik aan te snoeren.
Ze loopt naar zee, waardoor alle zonnebrand uit haar putten loopt.
Ze haalt haar kleinkinderen op, die aan de rand van de zee zijn blijven staan. Een meisje verstopt zich onder haar billen.

Menno denkt aan zijn eigen, ingevallen oma. En denkt dat hij graag billen had gehad, die hij over z’n hoofd kon trekken als het nodig was, als een soort luifeltje.
Het meisje trekt een streep in het zand om haar oma heen.
Ze denkt misschien aan doodgaan.
En misschien zegt ze tegen haar oma, dat ze niet uit de cirkel mag stappen.
De jongen zet stappen in zee en het meisje volgt hem.
Oma blijft staan in haar cirkel.
Als ze terugkomen uit het water, dan staat oma nog op dezelfde plek, maar de cirkel is verdwenen door het water.
Misschien denkt het meisje weer aan doodgaan.
Misschien denkt de oma aan de putten in haar billen, en dat er niks meer in ligt wat de dieptes ervan tegen de zon beschermt.

Ze lopen terug. Terug naar hun handdoek.
Het meisje vraagt aan haar oma, of iedereen zulke billen krijgt later.
Alleen als je goed je best doet, zegt ze.
Oma kijkt op de klok. Ziet dat het nog maar half drie is.
Nog een eeuwigheid voordat het journaal begint. Goddank, Denkt ze, en ze smeert haar putten nog eens in.

De Feestdagen

vrijdag 8 januari 2010

 

Leg het fenomeen ´de Feestdagen´ maar eens uit aan een alien.
Ik heb het geprobeerd, op een winterwandeling naar het station.

Alien, we noemen hem voortaan Rudy:
Wat ga je doen de komende tijd?

(Rudy heeft tijdsbesef)

Rebekka:
ja, de Feestdagen komen eraan. Dus dat.

Rudy:
ah. Een aantal dagen waarop het feest is.

Rebekka:
Ja, in theorie. Er ligt vaak iets te veel druk op die dagen, waardoor het feestgedeelte van de dag niet per se meer aan bod komt.

Rudy:
Dat snap ik niet.

Rebekka:
Kijk, het zijn dé Feestdagen. Iedereen probeert als een gek feest te vieren. Het is een beetje zoals mijn moeder.
Doordat zij dan probeert het huis ‘gezellig te maken’, is ze nooit gezellig.
Omdat je met iets anders bezig bent dan met gezelligheid. Je bent de voorwaarde aan het maken, waarop er gezelligheid kan plaatsvinden. Althans, dat is natuurlijk ook maar haar visie. Want voor haar is de voorwaarde voor gezelligheid  in de eerste plaats een schoon huis. Wat voor anderen niet nodig is.

Rudy:
En wat heeft dat met de Feestdagen te maken?

Rebekka:
Tijdens de feestdagen is iedereen zo bezig met de Feestdagen, dat het nooit een feestdag is.

Rudy:
kucht

Rebekka:
Je moet het zo zien. Als je een feest organiseert, ben je zelf niet aan het feesten. En tijdens de feestdagen is iedereen aan het organiseren.

Rudy:
En waarom noemen jullie het dan feestdagen? En niet: organisatie dagen.

Rebekka:
Ken je Jezus?

Rudy:
Nee.

Rebekka:
Ja, in principe vieren we zijn verjaardag.

Rudy:
En naar welk feestje gaat Jezus dan, als iedereen zijn verjaardag viert.

Rebekka:
 nee, Jezus is al dood, maar dat is onder andere de oorsprong van deze feestdagen.

Rudy:
En is Jezus al lang dood?

Rebekka:
Ja jaaaa.. al heel lang.
Ja, die is een tijdje geleden aan een groot kruis gespijkerd.
Omdat hij moest sterven voor onze zonden.
Rudy:
Huh?

 

Rebekka:
ja, ik snap het ook niet helemaal. Het is zogezegd voor de mensen,
maar het is volgens mij niet zo dat de mensen daar om gevraagd hadden.
“Ey! Wil er iemand anders dit jaar aan dit kruis hangen voor onze zonden?
Ok. Drie kandidaten, Martin, Robert en Jezus.
Nou kom maar naar voren.”
Zo ging het dus niet. Jezus deed het gewoon.
Maar op zich heeft dat weer weinig met de feestdagen te maken.

Rudy:
De verjaardag van Jezus dus. En het is niet leuk.

Rebekka:
Het kan heel leuk zijn. Maar het is niet gemakkelijk om de feestdagen te doen slagen.
Ik ben zelf nogal gulzig van aard, en dan kunnen feestdagen al snel een horror worden. Aangezien er nogal veel voedsel voorhanden is.
Je moet niet van de Feestdagen willen dat het feestdagen zijn.
De Feestdagen hebben het al moeilijk genoeg.

Rudy wist niet meer wat hij moest zeggen, wat ik al de hele tijd hoopte. Ik wist namelijk niet goed hoe ik het moest uitleggen. We liepen nog een tijdje zwijgend langs het spoor.
Rudy zette me op de trein en zwaaide me uit.

In de trein reed ik weg van de Feestdagen.
Het was een soort vacuüm geweest.
Het voelde alsof ik twee weken lang niet in mijn eigen leven was, maar
op bezoek bij dat van anderen.
Ik had het gevoel dat ik mijn leven in de steek gelaten had.
Ik vroeg me af of dat wel kon.
Het leek alsof ik die twee weken niks constructiefs aan mijn leven had bijgebouwd.
Toen vroeg ik me af ik überhaupt wel mijn leven aan het opbouwen was.
Zo precies en stevig als een spin een web bouwt.
Ik vermoed van niet. 
Van zondag tot zondag
(met soms woensdag als enkele uitzondering)
kan ik een zekere plompverlorenheid
in dit uitdijend universum
niet onderdrukken.
Rudy had waarschijnlijk gezegd dat het onmogelijk is dat een spin zich niet even plompverloren voelt
als ik
Maar Rudy was er niet
dus ik dacht in plaats daarvan,  dat een spin zich helemaal niet plompverloren voelt
maar altijd opgevangen,  door zijn eigen web nota bene

Iets dat mij deze feestdagen drie ongelofelijke minuten
is overkomen.

Al gedaan

maandag 23 november 2009

Een column over neerstortende vliegtuigen.
Over opstijgende vliegtuigen vermoedelijk ook.
Er zal een goede column geschreven zijn over het vliegtuigvoedsel, en het effect op de darmen.
Over kleine koffertjes.
Iets over het avondeten, bijvoorbeeld over de vraag waarom men peterselie op de rand van het bord legt, in plaats van op de pasta.
Over de zonsondergang, en waarom er niemand bij hem was. Of bij haar, of bij de hermafrodiet.
Iets over mottenballen. Dat moet bijna wel.
Hij hangt zijn jas in de kast.
Sowieso iets over verdwenen kleuren, en dat schoenpoetsen iets van vroeger is.
Zijn voeten ruiken nog steeds niet zoals hij zou willen.
Waarschijnlijk is er al iets moois gezegd over schilderijtjes in hotelkamers. Dat ze er eigenlijk voor niemand hangen, niet eens voor zichzelf.
Over verkleuring en de nostalgie.
Iets over de afstand tussen de vogelpoep aan het raam van je hotelkamer, en jijzelf. Tandenpoetsend.
Hij kijkt naar het tapijt onder zijn voeten. Hij denkt aan zijn eigen tapijt, waar altijd vlooien families zaten.
Hij droomde vaak dat de vlooien groter werden dan hij, en dat die vlooien dan het tapijt opaten en hem daarna.
Hij trekt zijn trui uit, loopt naar de badkamer.
Waarschijnlijk is er ook wel iets geschreven over het okselhaar van middelbare mannen.
Er zal ook wel een metafoor aan te pas zijn gekomen.
Iets als ´stervende watervalletjes´.
Over zelfbewustzijn onder de douche.
Hij kan niet bedenken wat de clou daarvan zou zijn.
Iets over oude dames die gaan zwemmen.
Hij hangt zijn badmuts aan de kraan.
Droogt zijn stervende watervalletjes goed af. Zijn billen.
Hij denkt even niet aan columns of zinnen.
Hij trekt de deken tot over zijn mond, tot aan de rand van zijn neus, ademt diep in.
Hij vraagt zich af wat hij los kan laten.

Ruim in de tijd zitten

zondag 18 oktober 2009

 

Twee mannen stappen in de trein.
De een heeft een koffertje, de ander een rugzak.
De man met het koffertje is Reinier, die met de rugzak is Pieter.
Ze zijn waarschijnlijk vijfenvijftig plus,
omdat ze hun boterhammen nog zelf smeren. Zoals vroeger.

Reinier haalt twee boterhammen uit zijn tas,
zegt dat ze niet zo ruim in de tijd zitten.
Hij gebruikt die uitdrukking al lang, ruim in de tijd zitten.
Hij heeft tijd nooit ervaren als iets om in te kunnen zitten, maar hij zegt het
omdat z’n vrouw het vaak zegt.
Gek wel, omdat ook zijn vrouw tijd niet ervaart als een soort chesterfield.
Als iets ruims om in te zitten.
Zij zegt het, omdat hààr moeder het zegt.

Haar moeder weet niet hoe ze aan de uitdrukking komt.
Ze weet dat ze vroeger nadacht over tijd op andere planeten, en eeuwig leven, maar die gedachten stopten als het water kookte, of als de bel ging.
En de bel ging steeds vaker, omdat ze huwbaar werd.
Ze dacht niet meer aan andere planeten.
Ze kreeg vier kinderen, drie kippen, 1 huis en heel  veel stof dat constant verwijderd moest worden.
Ze weet dat haar jongste dochter een keertje zei:
‘jij bent vier moeders.’
En ze wist niet goed wat ze daarmee bedoelde, maar ze dacht weer aan andere planeten.
 
Reinier heeft nog korst over van zijn boterhammen, en vraagt of Pieter die wil hebben.
Pieter vindt dat Reinier het eerder had moeten vragen, en schudt zijn hoofd.
Reinier opent zijn koffer en stopt zijn lege broodzak erin.
Hij begint over zijn buik te wrijven.
Pieter zegt dat er allang niemand meer over zijn buik gewreven heeft.
Reinier zegt dat zijn moeder dat vroeger deed.

Het is 1964 en ze is sinds een aantal jaren de moeder van Reinier. Ze heeft gecompliceerde darmen.
Dat zijn darmen die overal nogal geïrriteerd op reageren.
Ze krijgt van haar nicht een boek over spijsvertering, geschreven door R. Speerzucht.
Ze leest het driftig, en maakt aantekeningen.
Sindsdien wrijft ze iedere dag, na het eten, haar kinderen een half uur over de buik.
Hopend dat de darmen van haar kinderen het beter in deze wereld zouden doen dan die van haar.
Niemand weet of ze ooit nadacht over tijd.

In de trein begint Pieter ook over zijn buik te wrijven en mist zijn moeder.

Reinier knikt naar de jongen naast hem, die naar zijn buik zit te staren.
De jongen vraagt zich af, of die uitdrukking, ruim in de tijd zitten, ergens begonnen is.
Bij een moeder die, ook als het water al kookte, nog dacht aan ruimte en tijd.
En of tijd stil kan staan, zodat je erin kunt gaan zitten.
De jongen denkt aan zijn eigen moeder.
Misschien is dat wel het enige waar je tijd aan kunt herkennen, denkt hij.
Aan het hebben van een moeder, die over je buik wrijft
en geen enkele moeder meer, daarna.
En dat in die ruimte, tussen het hebben van een moeder en het ontbreken ervan, alle tijd
gaat zitten.  
Hij bedoelt dat er niemand meer komt daarna, die altijd, zoveel

Pieter en Reinier stappen uit.
Kruimels vallen op de grond.
Pieter vraagt of Reinier een route beschrijving heeft
Een idee heeft van waar ze heen moeten vanaf hier

En of het nog ver is

 

 


TV Gids