Alleen in de bossen.

Freek Vielen

Beste mensen,

Hieronder kunt u luisteren naar mijn nieuwe radiodocumentaire:  Alleen in de bossen.

Frans de Waal schrijft in zijn boek “De aap in ons” dat als je twintig elkaar onbekende chimpansees in een treinwagon stopt, dat er dan maar één levend uit zal komen. Voor een chimpansee is elke vreemde soortgenoot een potentieel gevaar. Mensen kunnen wat dat betreft een stuk beter met onbekenden omgaan. Met een ipod, mobiele telefoon of ochtendkrant zijn we prima in staat om zonder al te veel ongemak in een drukke wagon te zitten.
Toch knaagt er iets bij mij. De onrust van de stad en de constante aanwezigheid van mensen, doen me regelmatig verlangen naar een huisje op de hei. Naar een plek waar er geen drukte is, geen haast, maar rust en tijd. Is de mens eigenlijk wel gemaakt voor het leven in de stad?

Ik praat met filosoof Jan Hedrik Bakker (schrijver van ‘Welkom in megapolis’) en ga op bezoek in Marum bij een man die al 18 jaar bezig is met zijn eigen paradijsje te bouwen.

Ben benieuwd wat u er van vind. Veel luisterplezier.

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Intussen

Maud Vanhauwaert

Het verhaal. Deel 1: bijna 1960

 

 Zijn grootvader weet niet goed hoe hij afscheid moet nemen. Hij buigt zich voorover en hangt de accordeon, die hij –zolang het Russische dorp zich herinnert-  zelf gedragen heeft, over de smalle schouders van de jongen.  De jongen glundert. Hij voelt zich een winnaar, gehuldigd, met de meest gouden medaille.

 

 Sergey stapt, met op zijn buik de accordeon, en op zijn rug een grote zak, de trein op.  Naar België. In de krant heeft hij gelezen dat een Belgisch medische team op zoek is naar mensen met dertien tenen. Ze wil graag onderzoeken in hoeverre die mensen hun evenwicht kunnen behouden. Het team betaalt een fikse som aan alle proefpersonen.

 

 

Het verhaal. Deel 2: bijna 2010

 

Ik ga zitten op een bankje in de winkelstraat. Het is bijna twee uur. Ik heb hier afgesproken met een vriend. Om koffie te gaan drinken. Rond deze tijd beginnen mensen al inkopen te doen voor het eindejaar. Er passeert een jonge man met een langwerpig plat cadeau. Ik vermoed dat er een strijkplank inzit. Een jonge vrouw stapt moedig naar me toe en vraagt of ze mij iets mag vragen. Ze heeft een schrijfplaat en ik zie als snel dat de metalen clip enquête formuleren vasthoudt. Alle, het is goed, wat wil je van me weten. De vrouw gaat enthousiast naast mij op het bankje zitten en begint.

 

- Ben je man of vrouw?

- Zie je dat niet?

De vrouw bloost.

- Sorry wij moeten dat vragen, voor alle zekerheid

- Ok, ik begrijp het. Ik ben een man

 

De vrouw kijkt me onderzoekend aan. Het slaguurwerk, in de kerktoren van de stad, slaat twee uur. (Intussen rijdt een zakenman, terwijl hij een boterham met crunchy speculoospasta opschrokt, gehaast naar een meeting (denkt een Boliviaanse verpleegster terwijl ze een overwerkte directiesecretaresse aan het infuus legt: het is nu nog maar 9 uur in La Paz (zegt een prostitué tegen haar klant: sorry, time up (zet een dame, vanuit haar koffievlekkleurige sofa, een nieuw streepje in haar logboek: voila, nu ben ik al  85 jaar, 3 maanden, 2 dagen en 8 uur oud (vliegen de duiven, die zich net zo warm hadden genesteld in de kerktoren, verschrikt op (vraag ik mij af waar mijn vriend blijft.)))))

 

Aan de overkant van de winkelstraat, is een man komen staan. Hij draagt een gescheurde kakigroene broek, een vuil paars trainingsvest en een accordeon. Hij legt een leeg bakje op de grond, vettig van de kleine portie frieten, en begint te spelen. Hava nagila, hava nagila. Hava nagila venis’mecha. Hij glimlacht. (Intussen vraag ik mij af of hij veel zorgen heeft. En een huis om ze in op te stapelen. (Intussen vraagt de enquêtrice naar mijn leeftijd, naar mijn bezit van huisdieren en naar mijn mening over het gebruik van eekhoornoortjes in de verwerking van speculoospasta)). Ik glimlach terug. Het is mijn vriend, net toegekomen, die de glimlach vangt.

 

 

 

 

 

 

 

Terug

Sara

-       Die maaltijdsalades van de Albert Heijn zijn toch eigenlijk best lekker

-       Alles is lekker als je in India geweest bent.

-       True that

Toch zit ik, in de laatste zonnestralen van die dag op een grasperkje ergens in Amsterdam, ontzettende te genieten van deze wegwerpmaaltijd. Ik eet hem wel heel Indiaas; met mijn rechterhand, waar de dressing vanaf druipt. Het smaakt vast beter dan het er uit ziet.

Zulke survivalskills pik je dan wel weer op aan de andere kant van de wereld. Ik bedoel, mocht ik nog eens vast komen te zitten op een onbewoond eiland, dan kan ik daar ook zonder bestek overleven. En zonder toiletpapier. Want in India doen ze het ook zonder toiletpapier. Daar hebben ze hun linkerhand voor. Geen bestek en geen toiletpapier, superpraktisch. Dat scheelt weer een miljard mensen die je daarvan moet voorzien.

Er zijn meer zaken waar ze het India zonder kunnen. Zo kan je er motorrijden zonder helm, zonder rijbewijs, zonder benzine (bergafwaarts dan) en zonder accu (je moet hem even aanduwen, maar dan doet ie het prima). Je kan er hotelkamers krijgen zonder licht en met een shower zonder douche: ‘Where is the shower?’ vraag je met gespeelde verbazing, want je weet het al lang. ‘Bucket shower’ zegt de eigenaar met stralende glimlach en bijhorend wiebeltje met zijn hoofd en wijst naar een vaalgroene emmer die troosteloos onder een kraan staat die zachtjes drupt. Vervolgens kan je dan wel weer 100 rupee van de prijs af kletsen, maar voor dat geld sta je later wel water over jezelf heen te scheppen uit die emmer, die tevens dient om het toilet mee door te spoelen en om je was in te doen. Wederom heel praktisch.

Ondanks deze simpele voorzieningen krijgen de Indiërs het altijd voor elkaar om er heel schoon uit te zien - gezien die linkerhand kan je je afvragen hoe schoon ze dan werkelijk zijn, maar het is beter om daar niet te veel bij stil te staan. Vrouwen zijn vaak gehuld in kleurige doeken en mannen in een nette broek en overhemd, immer gestreken en zonder vlekken. Terwijl het niet meevalt om schoon te blijven tussen al het straatvuil, de koeien en de onwaarschijnlijke hoeveelheid menselijke en dierlijke uitwerpselen. Persoonlijk zat ik de gehele twee maanden onder de olie, smeer, zand en stof. Ik weet niet wat de Indiërs er van dachten, maar zelf vond ik het heerlijk. Ik heb, denk ik voor de eerste keer in mijn leven, een hele week mijn haar niet gewassen en op reis door de Himalaya heb ik dagenlang mijn kleren niet uitgetrokken, omdat ik er simpelweg te moe, te koud, te lui of te hongerig voor was.

Ik weet dat het niet iedereen z’n hobby is, maar ik vind afzien toch wel de ultieme manier van ontspanning. En dan ben je in India op de juiste plek. Bovendien geniet je dan in Nederland weer van heel gewone dingen, zoals salades van de Albert Heijn, prepacked, gemaakt zonder liefde, maar ook gegarandeerd zonder allerlei nare bacteriën en vol lekkere e-nummers. Ja, ik had graag wat langer in India willen blijven, maar bij het eten van deze salade voelde ik dat het ook goed was om ‘terug’ te zijn.

Rebekka

 

Zeven nijlpaarden kunnen niet meer onder water zwemmen.

Deze nijlpaarden wonen in een bocht in de Niger en door de droogte staan sinds eergisteren hun billen te verschrompelen in de zon.

 

Ik probeerde me in alle zeven nijlpaarden te verplaatsen, maar het allermeest in Robert.

Robert is de dikste en de oudste.

Hij heeft graag water om zich heen, en het liefst geen modderig water.  

Als hij het voor het zeggen had, dan zou hij in een wilde rivier staan, waar het water zo hard aan hem trekt dat hij voelt hoe dik hij is.

Nu staat hij in een soort sloot, met droge billen.

Hij heeft geen idee hoe dik hij precies is, en hoeveel dagen er voorbij gaan.

 

Ik moet denken aan te weinig water in het bad, en hoe ik op mijn buik ging liggen om die te verwarmen.

De bijbehorende spierpijn.

Ik denk dat ik een treffende vergelijking heb gevonden, dat ik mij op deze manier in Robert en anderen kan verplaatsen.

 

‘Natuurlijk voelt het

/ goddomme /

niet als te weinig water in het bad.’

 

Zegt Mitchell.

 

Te weinig water in het bad is zoiets als een gat in je sjaal.

Een steentje in je schoen.

Of misschien voelt te weinig water in bad eerder als twee verschillende sokken.´

  

‘Niet te weinig badwater! Idioot.

Te weinig zuurstof

Net niet kunnen ademen

Met een jeukende trui aan

En een te strakke leren broek’

 

Zegt Robert.

 

‘Zo voelt het ongeveer.’

 

En hij vraagt of ik wat babyolie op zijn billen wil smeren.

‘Het is een vreemde wereld hè,’ zegt hij.

Ik hoefde me toen gelukkig niet te verplaatsen in een vreemde wereld, want daar was ik al.

Ik knikte, maar dat zag hij niet.

De avond viel, en ik vroeg me af of Robert ook gelukkig was met het einde.

Van meerdere dingen die toen eindigden.

wawend

Maud Vanhauwaert

 

Ik had al vijf dagen op Kreta rondgewandeld, met mijn teva-sandalen en een plastieken‘zogezegd-stro’-hoed, en had nog maar twee streepjes muziek opgevangen. Het ene kwam van een groep Hollandse toeristen die op het strand luidkeels een lied van André Hazes zongen. (Zij rokken daarbij de definitie van muziek wel heel ver uit.) De andere muziek produceerden de krekels. Zij wilden zich ‘s nachts perse rond mijn tentje verzamelen om daar een generale repetitie koorzang te houden. Ik dacht niet aan een massa-orgie.

Het wordt tijd dat ik de echte Griekse muziek leer kennen, zo dacht ik. Ik kocht een cd in een souvenirwinkeltje. Ik besefte daarna pas dat ik geen cd-speler had, en stak het cd’tje dan maar weg, in mijn muffe rugzak. Die avond wandelde ik langs de baai van het dorpje Matala, op zoek naar een gezellige bar om een Mythosje te drinken. Mythos is het plaatselijke bier van Kreta. Ik had er op korte tijd al zo’n grote band mee opgebouwd, dat ik het na amper twee dagen met een verkleinwoordje aansprak.

Ik bleef staan bij een open zomerbar, waarin op groot scherm een concert werd getoond van ‘de man die bewees dat je zonder neus nog altijd de bekendste neus ter wereld kunt hebben’.

Ik moet toegeven dat op dat moment Michael Jackson voor mij nog niet veel meer betekende dan Mr Proper. Hun smoelwerk is net niet echt, de vloer lijkt glad onder hen en ze zijn naar verluid de beste binnen hun categorie. Maar aan die bar in Kreta viel mijn mond open. Vol verstomming keek ik naar the king (die op dat moment in zijn graf op hersenen wachtte). Ik kon alleen maar zeggen ‘waw’, een woord dat je goed kunt zeggen met een openhangende mond.

Veel zangers vandaag krijgen hun publiek wild door, vanop het podium, te schreeuwen: “komaan met die handjes, schudden die hitsige heupkens”. Maar Jackson kreeg zijn publiek dol door beheerst een hand op zijn hoed te leggen, als een doordeweekse hoedendrager vechtend tegen de wind. Michael Jackson deed niet alsof hij ‘lekker losjes en natuurlijk’ op het podium stond. Nee. Elk gebaar leek krankzinnig ingestudeerd en waanzinnig onnatuurlijk. Het ontroerde mij. Zelden heb ik iemand zo eerlijk op een podium zien staan.

Want ik geloof geen performers die doen alsof het podium zo huiselijk zacht is als een sofa. Een podium is hard en gevaarlijk glad.

Anderhalf uur heb ik in de bar naar het concert gekeken, mijn mond: wawend. Pas na het concert zag ik dat mijn Mythosje niet eens was aangeraakt. Het stond daar lauw op de toog. Het had zelfs zijn kraagje niet meer op. Een paar dagen later, toen ik weer in België was, haalde ik het cd’tje uit mijn muffe rugzak. Nu pas, met een bakje friet naast mij op een zachte sofa, kon ik genieten van de Griekse volksmuziek, (die trouwens verdacht veel op het geluid van krekels lijkt).

Ik moest in Kreta zijn om Michael Jackson te ontdekken en thuis zijn om Griekse muziek te horen. Het is als bij neuzen: soms wordt iets pas opvallend, als het er niet meer echt is.

 

Niks over Afrika.

Rebekka

De trein stopt in Hilversum.
Twee vrouwen stappen uit en vinden vervolgens geen zebrapad om over te steken.
30 seconden gaan voorbij.
Links. Rechts linksrechts linksrechtslinksrechts.
Geen zebrapad te bekennen.
“Ik vind dit volstrekt waardeloos. Echt volstrekt waardeloos”, zegt de een, niet per se tegen de ander, maar zonder de ander had ze het niet gezegd.

Het is zomer, dacht ik nog, dan heb je geen zebrapad nodig.

Een jaar voordat de een de ander nodig had om iets te zeggen, trof ik voorbereidingen.
Ik ging naar Madagaskar.
Ik ging met name naar Madagaskar om terug te kunnen komen.
Ik kocht bij de ‘Adventure Man’ een zakmes en andere artikelen die me het gevoel gaven dat ik ergens anders ging zijn en daarna terug ging komen.
Verwilderd bijna.
Ik verheugde me in Nederland al over de vervreemding die zou plaatsvinden als ik terugkwam.
Het zou een gek, maar zeer betekenisvol soort openbaring zijn worden.
Ik zou gechoqueerd zijn.
Mijn vader zegt, hoewel ik me kan voorstellen dat iemand anders het ook gezegd zou kunnen hebben, dat cultuur voor mensen is zoals water voor vissen.
Een vis heeft pas weet van water, zodra hij in een boom hangt.
Je bent pas Nederlander als je in Frankrijk bent.

En ik zou dan in het water gaan leven en als het ware weten hoe zuurstof is als ik terug zou komen.
De schok kwam niet.
Ik dacht alleen maar: lang leve de beschaving! Witte handdoeken. Zijde badjassen. Ruiken naar viooltjes.
Joehoe.
En nu.
Precies een jaar na de dag waarop ik mijn voorbereidingen trof
Op een weg zonder zebrapad
Kwam ik voor het eerst terug uit een ander continent.

Niet alleen waren deze vrouwen net door de NS naar Hilversum gedragen, ook hadden ze goede wandelschoenen en degelijke brillen om hun tocht voort te zetten.
Ze hadden het woord waardeloos.
Iets dat de meeste Afrikanen niet hebben
Ze hadden groot vertrouwen in de overtocht.
Iets dat de meeste Afrikanen niet hebben.

De vrouwen zijn Duits van kleur.
Beige broek, assorti bij hun tanden.
Voor hun manier van denken bestaat een woord.
Das Anspruchsdenken.
Het is het “denken in termen van recht hebben op.”
Het recht op een zebrapad.
!
In Afrika hebben ze niet eens een zebrapad.
Noch termen.
Noch voorwaarden.
Noch gedachten over rechten
Noch enige notie over recht waarop dan.
Noch tanden die kunnen vergelen.
Noch de ander, maar dat is ook in Duitsland.
Noch iets waardeloos.

(einde)

Ik liet dit aan de buitenwereld lezen.
De buitenwereld zei hierop:
‘ Pas op dat het niet een het laatje ” Afrika.. zucht wat erg” terecht komt.’
En ik vroeg me af of het kwam doordat je in zinnen geen toon kunt horen, dat de buitenwereld niet doorhad dat ‘Afrika…zucht wat erg’ niet de punchline van dit stukje is.
Bijvoorbeeld de zin ‘in Afrika hebben ze niet eens een zebrapad’ is voor mij volstrekt ironisch.
Niet alleen omdat zebrapaden in Afrikaanse omstandigheden volstrekt overbodig zijn, maar ook omdat de gedachte dat mensen door het gebrek aan zebrapad iets te kort komen,
vrij tragisch is.

De vrouwen blijven op de stoep staan, niet wetende hoe ze zonder zebrapad en zonder hun sandalen en zonder brillen in hemelsnaam over zouden moeten steken.
Ze denken aan alle voorwaarden tot leven.
Een zebrapad hoort daar toch bij.
In Jezusnaam.

Dit stukje gaat niet over de armoede in Afrika.

schrijf en doe mee.

Freek Vielen

1.
Als je snel genoeg gaat, heb je altijd tegenwind.
2.
Zoals je een broek alleen voelt als je hem net aantrekt, zo voel ik, na twintig jaar huwelijk, haar aanrakingen niet meer.
3.
Uiteindelijk heb je nooit een gesprek met een ander, maar altijd alleen een gesprek met je eigen ervaringen, je eigen verleden.
Zomaar. Voor u. Een aforisme, een vergelijking en een conclusie. Als onderdeel van het doe-het-zelf-column-pakket.
Zoals u al gemerkt zult hebben aan het weer, de kalender, aan uw vakantie, is het zomer. Tijd dus. Tijd om nou eens eindelijk de krant van voor naar achter en het weblog van boven naar onder te lezen.
Helaas zit juist dat er niet in. De krant is dunner dan ooit en de weblogs liggen stil.
Ook op De Vrijdag dateert het laatste stukje al weer van een maand geleden.
Afgelopen maand hebben de redacteurs van De Vrijdag echter niet stilgezeten. Wat heet.
Sara is voor twee maanden naar India vertrokken en Maud, Rebekka en uw aller Freek hebben samen hun eerste voorstelling gemaakt. Te weten: Mono no Awaré, de droevigheden van 2008. Over de inhoud en speeldata later meer, maar u mag vast in uw notitieboekje schrijven dat het een succes was en dat we het zeker nog in Groningen (24 en 26 augustus Noorderzon), Amsterdam (13 september) en Antwerpen gaan spelen. En misschien zelfs in de rest van het land.
Terug naar uw doe-het-zelf-column. Omdat u het bent die nu tijd heeft mag u zelf in de pen kruipen. Schrijf zelf een column, verhaal of gedicht over onderstaand thema en stuur het naar ons op.
U mag daarvan gebruik maken van boven gegeven aforisme, vergelijking en conclusie, maar daar bent u vrij in. Het zijn cadeautjes.
Het thema is: Natuur, natuurlijk en/of natuurlijkheid.
Er wordt vaak gezegd dat de mensheid niet meer in contact staat met de natuur. Soms wordt er zelfs gezegd dat mensen niet meer in contact staan met hun natuur. Wat zou daar mee bedoeld kunnen worden? Waaruit blijkt dat dan? Hoe erg is dat? Wat voor natuurlijks doet u nog in uw dagelijks leven? Wat is natuurlijk? Hoe natuurlijk is de mens? Hoe menselijk is de natuur? Zijn ze elkaars tegenovergestelde? Heeft u nog last van uw oerinstincten? Vaart en paart u blindelings op uw dierlijk verstand?
Giet één van deze vragen, of uw eigen vraag, in een essay, anekdote, column, gedicht, verhaal, haiku, gedachtestroom, interview of krantenbericht en mail het naar freek@freekvielen.nl
We zullen het met veel plezier lezen.

Bach

Sara

Als er in de baarmoeder muziek wordt gedraaid -en ik weet wel vrij zeker dat zulks het geval is- dan spelen ze daar Bach. Niet zomaar Bach, geen cantates ofzo. Maar enkel de vioolsonates. Steeds weer opnieuw, maar het verveelt niet. Het is zoals het ademen van lucht, hoe zou dat kunnen vervelen? Ademen kun je als foetus nog niet. Maar in plaats van zuurstof stroomt Bach door je lichaam, in en uit, kriebelt tussen je tenen, deint over je wervels en kleeft achter je oren.

Eenmaal door het geboortekanaal verstomt de muziek tegen de achtergrond van de wereld. Toch blijft het de eerste paar levensjaren nog wel opduiken op bijzondere momenten. Helaas is dit nog voor dat het geheugen is begonnen met het opslaan en categoriseren van alles dat van belang lijkt. Langzaam wordt bovendien het rationele wezen in je wakker dat analyseert, praat, observeert en nadenkt en daar altijd, maar dan ook altijd, dag en nacht, onvermoeid mee door gaat. Daarmee maakt je hoofd zo veel lawaai dat de zachte, heldere tonen van de violen dat onmogelijk nog kunnen overstemmen.

Hoe ik dat weet? Nou, weten is wel een groot woord. Het is meer een vermoeden. Maar wel een sterk vermoeden. Hoe kan het anders dat ik mij bij het horen van de vioolsonates voel veranderen in een klein kind. Een onnozel hummeltje dat net kan lopen, maar nog niet praten. Dat zonder zelfbeeld en zonder begrip in verwondering tegenover de dingen staat. Op een zondagochtend op een kleed in woonkamer, terwijl mijn papa op de bank ligt en wappert en krakende geluiden maakt met een krant. Of tijgerend over net gemaaid gras op een dag vroeg in de lente op weg naar een vogeltje dat zich snel uit de voeten maakt.

Bach heeft iets te maken met jong kindergeluk. Van een leven dat je weliswaar niet overziet, maar dat een interne structuur lijkt te hebben die klopt als een bus en waarvan je ouders precies op de hoogte zijn. Met eten om zes uur ’s avonds en naar bed gaan na Sesamstraat. Aangekleed worden als je wakker wordt en roosvicee met een fruithapje in de ochtend. Simpel en voorspelbaar en toch elke dag weer goed. Net als de muziek; mooi en licht en precies, exact, perfect kloppend. elk moment, elke noot. Niet omdat je het al zo veel vaker gehoord hebt, maar omdat het gewoon niet anders had kunnen zijn.

Ik zou nog graag af en toe een dagje zo jong willen zijn. Onhandig in een wereld die niet op jou is aangepast. Met knoppen op toestellen en laatjes in kasten waar je net niet bij kan. Met armen die te kort zijn om over je hoofd te reiken en beentjes die maar met moeite dappere stappen kunnen maken. Waar grote handen je optillen als te ver weg raakt en je weer terugzetten waar je begonnen was. Koesterend en liefdevol, niet bestraffend. Verantwoordelijkheid is iets van later.

Natuurlijk is het allemaal niet zo rooskleurig, maar die weemoed komt ook voort uit de muziek. Ik denk dat Bach nog melancholie kan opwekken bij mensen die zich helemaal niet kunnen beroepen op gelukkige jeugdherinneringen.  Of zou ik de enige zijn die er deze emotie bij heeft? Misschien was mijn peutertijd wel een lange zondagmorgen. Eigenlijk weet ik er nog maar bar weinig van. Maar als u mij excuseert, dan luister ik nog even verder.

En zo verder.

Freek Vielen

1.
Droeviger dan het verhaal van Cassandra
is het niet gebeurde verhaal van Morena, een waarzegster uit de 13de eeuw.

2.
Er zat een jongen in de theaterzaal die keek naar het decor dat bestond uit lange planken.
Het waren planken die in oude huizen werden gebruikt voor het plafond. Ze timmerden die aan de onderkant van de vloerbalken en deden er vervolgens riet over heen en gips.
Die planken zijn ongeveer zes meter.
Voor een boom is zes meter niet heel lang maar voor een plank wel, vindt de jongen in de theaterzaal. De planken staan rechtop, waardoor je duidelijk kunt zien dat ze vroeger bomen waren, vindt de jongen.

3.
Op straat werd er dit gezegd:
‘Ik zou nooit twee dagen alleen op taart kunnen overleven’, zei een jongen tegen zijn vriendin die ‘echt wel’ zei.
‘Heel netjes van jou’, zei een Surinaamse man, met een te grote gevoerde leren jas tegen een auto die voor hem aan de kant ging:
‘Mot je net bij mij flikken, zulke streken ben ik niet van gediend’, zei een blanke man met buik en blauw motorpak, tegen een witte auto, tegen de bestuurder, tegen een vrouw- die voor het stoplicht stond te wachten.

4.
Morena was een waarzegster die net als Cassandra nooit werd geloofd. Wat Morena extra tragisch maakte was dat haar voorspellingen nimmer uitkwamen.

5.
In de theaterzaal, tussen het publiek, denkt een jongen.
Hoeveel planken die daar staan zouden per toeval uit dezelfde boom terecht komen? Zouden die planken met de boot hiernaar toe zijn gevaren? Door de grachten? Misschien wel honderd jaar geleden?
Hoe zou de machine er uit hebben gezien die van de bomen planken zaagt? Als een soort frietpers? Zo’n pers met een rooster waar je je aardappels door heen kan persen tot friet?
Of zou het gewoon één lang zaagblad zijn die langzaam de boom in lange, dunne gelijkmatige planken zaagt?
Dat vraagt de jongen zich af, in die theaterzaal, waar de acteurs aan het praten zijn. En niemand die aan die jongen vraagt wat hij denkt. En niemand die naar hem kijkt.

6.
Op straat stond een man. Hij vertelde dat zijn familie na de scheiding geen contact meer met hem wou. Wel zagen al zijn broers, zussen, ouders en zelfs neven en nichten zijn ex-vrouw nog bijna dagelijks.

7.
Op straat begon het te regenen. Iedereen stoof weg. Twee jongens liepen naar de trein toe. De een zette de andere op de trein. Ze hadden elkaar heel kort gezien en hij moest alweer weg.
Daarom besloot de een de ander naar de trein te brengen.
Ze hadden elkaar zoveel te vertellen, maar de wandeling was zo kort,
en ze konden maar niet bedenken wat ze het liefst wouden zeggen.
Daarom bleven ze zwijgend lopen, naar de trein, door de regen.

8.
Een vader deed de deur open. De zoon stond in de regen. De vader zei:
‘We zijn nog niet over de scheiding heen. Ik weet dat jij er niks aan kunt doen, je bent nou eenmaal wie je bent, maar Paulien is er kapot van dat ze het heeft uit moeten maken.’
En al wat de zoon ziet dat de vader denkt is:
‘Je had zeker weer eens niet beter je best kunnen doen?’

9.
Als er tijd tekort zou zijn. Als ons alleen nog maar korte wandelingen naar de trein resten. Als er weinig aan te doen zou zijn. Als niemand naar ons luistert en we nooit gelijk hebben. Als we met niemand kunnen praten. Als we alleen maar kunnen schreeuwen tegen de onhandige witte auto’s. Als we echt, echt, echt ons best heus wel hebben gedaan. Als er geen ander einde denkbaar is.

Dan is er nog steeds het grote dal, rood geworden door de ondergaande zon, dan zijn er nog steeds de olijfbomen, dan is er nog mijn hand die jouw hand vastpakt, dan is er nog mijn hart dat zich een beetje scheurt omdat er te weinig tijd is, dan is er nog steeds te weinig tijd.
Dan is er de regen die mensen doet stuiven, dan zijn er twee jongens die door de regen lopen, dan is er nog steeds te weinig tijd.
Te weinig tijd, maar dan wel altijd in het grote, rood geworden dal met jouw hand in mijn hand.

wachten

Sara

Je kan het leven zien als een aaneenschakeling van wachten. Je wacht op de bus, je wacht op de pauze, je wacht op een vriend, je wacht op morgen, je wacht op je vakantie en op vakantie wacht je weer op de bus. Wachten is een zekere staat van zijn: je bent hier, maar je wil daar zijn. Meestal is het slechts tijd die je scheidt van je doel. Het fijne van tijd is dat het automatisch verstrijkt. Wat dat betreft is wachten op z’n minst een bezigheid waar immer een vorm van progressie inzit.

Een nadeel van wachten is dat je vaak niet weet hoe lang het gaat duren. In dat geval was het ook eigenlijk geen wachten meer, want je zou iets met je tijd kunnen doen: er een boek bij pakken of een even lekker gaan bellen bijvoorbeeld. Echt wachten is onbestemd wachten. Met de vraag in je achterhoofd of het überhaupt nog wel gaat gebeuren. Kan je soms beter iets anders gaan doen en de boel de boel laten? Op zo’n ingewikkelde vraag kan de gemiddelde mens zich behoorlijk stuk bijten, irritaties en frustraties zijn daarom bekende nevenverschijnselen van het fenomeen wachten.

Er zijn ook mensen die beweren dat je nooit wacht. Dat je elk moment kan zien als vervuld in zichzelf. Dat je juist de minuten voor de bus komt, kan aangrijpen om het Nu mee te maken en volledig tot jezelf te komen. Dat je elke regendruppel die op je neerklettert kan ervaren en kan genieten van het geluid dat voorbijrazende auto’s produceren. Als je van elke seconde zo’n feestje maakt, wacht je weliswaar nog op de bus, maar dan ervaar je het niet meer alsof je tijd moet overbruggen naar het straks. Ik kan je verzekeren dat deze levensinstelling niet voor iedereen is weggelegd.

Maar dat is ook maar fijn, want wachten heeft ook hele goede kanten. Mijn persoonlijke favoriete voordeel van het wachten is het verheugen. Ook wel ‘voorpret’ genoemd. Daar kan ik mij aan laven. Een mooi vooruitzicht van een spannende reis kan mij door weken druilerige collegedagen en eenzame studerende nachten heen helpen. Bovendien is wachten een uitstekend moment om eens te dobberen op de lome spinsels van je fantasie. In feite is dat niet zo gek veel anders dan je verheugen, alleen sla je dan even over dat het nooit werkelijk plaats zal vinden.
Uiteindelijk is wachten misschien wel net zoiets als je vervelen. Je vraagt er niet om en je zoekt het niet op, maar ergens raakt het aan de essentie van het zijn. Het zijn precies die zaken die de mens onderscheiden van het dier. Denk daar maar aan als je de volgende keer staat wachten.


TV Gids