Procrastinating

Sara

Als je een andere taal leert, dan is het altijd fascinerend om te ontdekken dat er woorden bestaan voor dingen die je wel kent, maar die je in het Nederlands niet uitspreekt. Of in ieder geval niet op die manier. Zo heb je in het Portugees het prachtige woord saudade (dat eigenlijk voornamelijk een Braziliaanse uitdrukking is). Saudade hebben -spreek uit soudadjie- betekent dat je iets of iemand mist. Maar op een positieve manier. Bij ons heeft missen de bijsmaak van ontbreken, niet zijn. Maar saudade benadrukt juist dat wat was (of nog steeds is, maar niet voor handen), zonder de nadruk te leggen op het ontbreken daar van. Als ik iemand dat woord hoor gebruiken dan springt er in mijn hart meteen saudade omhoog naar Braziliaanse nachten en stranden.

Je eigen taal heeft soms ook voordelen boven andere. Zo schijnt Engels geen woord voor huppelen te hebben en wij wel. Wat niet per se inhoudt dat de gehele Angelsaksische wereld niet kan huppelen, maar waarschijnlijk wel dat wij het beter kunnen. Het Engels heeft daarentegen een prachtig woord voor iets dat veel essentiëler is in het leven: procrastination. Het woord verwijst naar de -weliswaar passieve- daad van het uitstellen van dingen, die je eigenlijk nu zou moeten doen, tot een later tijdstip. Een fenomeen dat we allemaal kennen.

Natuurlijk hebben wij wel woorden als uitstellen of vooruitschuiven tot onze beschikking, maar die benadrukken niet zo zeer de specifieke act van en de zwaarte van het procrastinating. Je kan immers ook iets uitstellen dat je leuk vindt, juist om tijd te maken om bijvoorbeeld de belastingpapieren in te vullen. In dat geval is het uitstellen geen daad van procrastination, maar juist bijzonder verstandig en praktisch het tegenovergestelde.

Procrastinating heeft een gevoel van ‘tegen beter weten in’ dat er aan vast kleeft. Je zou het nu kunnen doen en dan was je er van af, maar je voelt zoveel weerzin dat het je niet lukt om je er toe te zetten. Het drama van procrastinating zit hem niet in de daad van het uitstellen, maar in het feit dat je de tijd dat het vervelende klusje voor je uit schuift niet half zo prettig besteedt als wanneer je al klaar was geweest. Ergens in je achterhoofd weet je dat je enkel de tijd zit te vullen tot je niet anders kan dan er aan beginnen.

Vooral wanneer ik papers moet schrijven voor mijn studie breng ik veel tijd procrastinatend door. In de loop der jaren ben ik er achter gekomen dat er ook een bepaalde hoeveelheid tijdverdrijf nodig is om tot een zeker niveau van productiviteit te komen. Jammer is dat je die tijd altijd besteed aan zaken met een hoog nutteloosheids gehalte. Procrastinating is per definitie een soort van lummelen, bevredigend voelt het nooit. Dat kan ook niet, want dan zou je vergeten wat je aan het uitstellen bent. Zo heb ik in de afgelopen week, waarin ik het bijzonder druk had, de tijd gevonden om de nieuwe rubiks cube (de rubix 360) op te lossen, heb ik mij bekwaamd in het race-spelletje GTA 3 en heb ik al mijn iTunes files gecategoriseerd in puik georganiseerde afspeellijsten.

Toch weet ik dat het niet voor niets is. Na een -helaas- onberekenbare periode van rommelen, breekt dan ineens het moment aan dat ik de deadline voel naderen en ga ik aan het werk. Uiteraard had ik voor de tijd van procrastinating al wel een hoop gelezen over het thema van mijn paper en, wonder boven wonder, lijkt al die informatie dan te zijn gesetteld op de juiste plek en tekent zich de structuur af van een verhaal. Dat moet ik dan natuurlijk nog wel op papier krijgen, maar in de praktijk is het meestal zo vervelend nog niet. Bovendien heb je achteraf het bevredigende gevoel dat je echt iets gepresteerd hebt en, beter nog, dat je echt even lekker kan ontspannen als het straks af is.

Geen Gorilla’s

Sara
Je pakt mijn hand, ik zie hier niet,
we verdwalen in dit land, huilende wolken,
geen verdriet
mijn ogen dicht, geconcentreerd
de lucht op mijn gezicht, wordt vloeibaar,
condenseert
wereld van water, het is lopen of zinken,
verstomt in fluisterstil geklater, dauw ademen,
verdrinken
het vaste verliest zijn vorm, het droge,
de druppel wordt de norm, we lossen op,
vervlogen

scheenbreuk, een dubbele

Maud Vanhauwaert

De eerste keer vond ik hem na een halfuur terug, tussen het zit- en rug- kussen van mijn sofa. De tweede keer vond ik hem na twee uur zoeken nog niet. Zeer vervelend. Ik voelde mij genoodzaakt om meteen een nieuwe te kopen in de Mediamarkt. Ik vroeg een verkoper naar een adapter die zeker aansluitbaar was op mijn computer. Ik betaalde 80 euro, waar ik niet echt mee kon lachen. Op de terugtocht naar mijn appartement werd ik helemaal natgeregend. Denk aan een sandwich die in het water is gevallen. Dat gevoel.

Toen ik thuiskwam probeerde ik meteen mijn nieuwe aanwinst uit. Het werkte niet. Ik kreeg de adaptor niet aangesloten. Denk aan een kilo verdikt zijn, na drie dagen dieet. Dat gevoel. Ik ben terug naar de mediamarkt gegaan. Deze keer nam ik de tram. Ik wilde niet nog eens droge kleren aantrekken straks. In Antwerpen betaal ik het openbaar vervoer niet.  Er is toch nooit controle. Die dag wel. Ik betaalde een boete van 70 euro. Denk daar maar aan. Dat gevoel. Toen ik bij de mediamarkt aankwam, was de winkel al gesloten.

Misschien zou er nu op de hoek van de winkel iemand opdoemen, die mijn leven een nieuwe wending kon geven. Iemand met een leuk rood mutsje met daaronder opverende krullen die mij een briefje met een telefoonnummer zou toestoppen, een toegangscode. Iemand die de hindernissen van de dag plots de moeite waard kon maken. Misschien kon mijn pech van die dag nog grotere proporties aannemen, bijvoorbeeld in een dubbele scheenbreuk, waardoor de opeenvolging van ongelukken het begrip toeval in twijfel kon trekken. Maar ik reed zonder problemen terug naar huis. De kaas in mijn frigo was nog niet beschimmeld. De douche ’s avonds was ook nog betrekkelijk warm.

Mijn dag -en de eerlijkheid gebied mij te zeggen dat dit soort van, laat ik maar zeggen, ‘klotedagen’ met een vrij hoge freqeuentie mijn leven komen binnenvallen-, was dus totaal niet vruchtbaar geweest en ook niet tragisch genoeg om het op te plooien tot een straffe anekdote, die ik te pas en te onpas kon opdiepen, bij een kampvuur, in een pijnlijke stilte, of in een column. Dat laatste heb ik dan hier maar toch gedaan, uit eerbied voor de klote dagen, en ook vanuit het democratische beginsel dat je met een aanwezigheid van meer dan tien procent toch een stem moet krijgen.

                              

 

Al gedaan

Rebekka

Een column over neerstortende vliegtuigen.
Over opstijgende vliegtuigen vermoedelijk ook.
Er zal een goede column geschreven zijn over het vliegtuigvoedsel, en het effect op de darmen.
Over kleine koffertjes.
Iets over het avondeten, bijvoorbeeld over de vraag waarom men peterselie op de rand van het bord legt, in plaats van op de pasta.
Over de zonsondergang, en waarom er niemand bij hem was. Of bij haar, of bij de hermafrodiet.
Iets over mottenballen. Dat moet bijna wel.
Hij hangt zijn jas in de kast.
Sowieso iets over verdwenen kleuren, en dat schoenpoetsen iets van vroeger is.
Zijn voeten ruiken nog steeds niet zoals hij zou willen.
Waarschijnlijk is er al iets moois gezegd over schilderijtjes in hotelkamers. Dat ze er eigenlijk voor niemand hangen, niet eens voor zichzelf.
Over verkleuring en de nostalgie.
Iets over de afstand tussen de vogelpoep aan het raam van je hotelkamer, en jijzelf. Tandenpoetsend.
Hij kijkt naar het tapijt onder zijn voeten. Hij denkt aan zijn eigen tapijt, waar altijd vlooien families zaten.
Hij droomde vaak dat de vlooien groter werden dan hij, en dat die vlooien dan het tapijt opaten en hem daarna.
Hij trekt zijn trui uit, loopt naar de badkamer.
Waarschijnlijk is er ook wel iets geschreven over het okselhaar van middelbare mannen.
Er zal ook wel een metafoor aan te pas zijn gekomen.
Iets als ´stervende watervalletjes´.
Over zelfbewustzijn onder de douche.
Hij kan niet bedenken wat de clou daarvan zou zijn.
Iets over oude dames die gaan zwemmen.
Hij hangt zijn badmuts aan de kraan.
Droogt zijn stervende watervalletjes goed af. Zijn billen.
Hij denkt even niet aan columns of zinnen.
Hij trekt de deken tot over zijn mond, tot aan de rand van zijn neus, ademt diep in.
Hij vraagt zich af wat hij los kan laten.

bijpraten met Jaap

Maud Vanhauwaert

Meestal loop ik door. Meestal heb ik een trein te halen. Of sluit de winkel over vijf minuten.  Maar op 17 juli bleef ik staan, in het poëziecentrum van Gent, bij het boekje ‘zullen we een bos beginnen’. Ik dacht ja. Dat dacht ik mijn terugtocht lang. Op mijn appartementje begon ik te lezen. Mijn ja werd volmondig.

 

Als een kind iets zegt, dan heb ik de neiging het te geloven. Dat soort kracht hebben de gedichten van Jaap Robben. Ze zijn waar. Niet in de vorm van algebraïsche slotsommen of metafysische stellingen. Nee. Het is de waarheid uit een kindermond.

 

Ik dacht:  ik moet eens koffie met hem drinken. Ik mailde hem en was verwonderd toen hij antwoordde. (Het is raar als een schrijver iets buiten een kaft schrijft.) Een paar weken later treinde ik naar Nijmegen, zijn stad.

 

Ik had alleen een foto van zijn hoofd gezien, op de achterflap van de bundel. Een open voorhoofd, vrolijke krulletjes en een mond die een beetje schuin glimlacht. Hij wist helemaal niet hoe ik eruit zag. Ik had hem ook niet verteld dat ik een korenblauw T-shirtje zou dragen. Hoe kon hij mij in de massa onderscheiden? Op een perron kijkt iedereen hoopvol.

 

Uiteindelijk herkent hij mij door mijn herkenning van hem.

 

 Zijn benen zijn langer dan diegene die ik bij zijn hoofd had gedacht. Ik geef hem drie kussen. Hij vraagt waarom. Ik vertel hem dat je, in België, bij een plechtige gelegenheid drie kussen geeft en in amicale omstandigheden één.  We lopen uit het station en worden aangeklampt door een Unicef-handlanger. Ik haat kinderen, zegt Jaap Robben op zijn avances, en we kunnen rustig verder lopen.

 

Ik weet niet goed in welke gespreksvorm we zullen belanden. In mijn mailtje vroeg ik of ik hem mocht interviewen. Stiekem hoop ik dat we gewoon koffie kunnen gaan drinken, en ‘bijpraten’, alsof we elkaar al jaren kennen. Jaap neemt een zware draagtas van mij over en begint zelf met vragen stellen. Ik ben opgelucht.

 

Jaap,  stadsdichter van Nijmegen, leidt mij naar het terras van een bruin café.  Ik vraag mij af of een terras van een bruin café een bruin terras is, maar vind de gedachte het uiten niet waard. We zoeken ons een tafeltje in de zon. Op zijn aanraden probeer ik het plaatselijke korianderbier. We praten. Meer dan drie uur lang.

  

Intussen kijken zijn bosgroene ogen mij rustig aan. Af en toe passeert er iemand die hij kent en dan wisselt hij een hoi. Hij spreekt rechttoe rechtaan, zonder gezwijmel, maar delicaat. Ik denk aan zijn gedichten. Na twee uur, praten we over de liefde en over huisvesting. (Je kan het alleen over poëzie hebben als je het ook over liefde en huisvesting hebt.)

 

Welke associatiesprongen we die namiddag precies uitvoerden, ben ik vergeten. Het waren lichte sprongen, zonder bruuske bewegingen. Tussendoor miste ik drie treinen. Jaap verkondigde het telkens met gelatenheid: “die trein heb je gemist”, en daarna praatten we verder.

 

Na een korianderbier die we als ‘de laatste’ benoemen, verlaten we het lichtbruine terras en lopen naar het station. Bij het afscheid geef ik hem een enkele kus.

 

 

Door de slaapverwekkende cadans van de trein kan ik mijn gedachten nog moeilijk focussen. Ik kan niet meer geconcentreerd nadenken over een enkele plaats. Ik denk alleen nog aan grote lappen grond, aan landen,  en uiteindelijk, half verzonken al,  aan de wereld.  Mijn mening over de toestand van de wereld is niet gebaseerd op feitenmateriaal, op statistieken of holistische filosofieën. Het is gebaseerd op ontmoetingen. Ik ontmoette Jaap Robben. En ik dacht: wat gaat het goed met deze wereld.

in de bus waar ik reed

Freek Vielen

in de bus
waar een man een strijkplank door de gang droeg
waarschijnlijk omdat hij ook thuis wou kunnen strijken
dacht ik, niets wat ergens is is niet ooit daarheen gebracht

(stromen is het woord niet)

vrachtwagens vol haast uit Brazilie
vanuit de grond in de mijnen
met boten over onverharde wegen waar wind
het zand uit de Sahara blaast

(rivieren als asfalt blauw)

thuis deed ik de deur op slot
stopte de kieren in mijn raam
ging zitten voor de klok
en hield de wijzers tegen

(ik zocht iets dat zou blijven)

geen golven van geluid, geen adem door de kamer
laat niets nog in dit huis zich verplaatsen van zijn plaats
schreeuwde ik in stilte en gaf door kramp en het voelen van mijn hart
opnieuw de poging op

(leven is bewegen)

zodat ik toch weer het niet door mij gewonnen inkt
in zelfverzonnen zinnen ging sorteren
schrapte ook die weer door
pakte mijn autoped en hinkelde naar buiten

stromen is het woord niet

24

Sara

Toen ik klein was vond ik het altijd moeilijk om de leeftijd van volwassenen te schatten. En nu ik dan eindelijk ‘groot’ ben, vind ik het juist weer moeilijk om de leeftijd van kinderen te raden. Ik bedoel, wat onderscheid een tienjarig van een achtjarige?

Niet dat zoiets ooit een probleem is. Kinderen vertellen je graag, al dan niet met behulp van vingers, hoe oud ze zijn. Daar moet je bij een volwassene eens om komen, die geniepig hopen dat je hen per ongeluk jaren jonger schat. En dan heel gillerig gaan doen als je er, met je kinderlijk naïeve gebrek aan tact, ruim tien jaar boven zit. Ik snapte daar nooit veel van.

Maar leeftijdsfixatie is mij niet vreemd. Het schijnt dat ik naar mijn derde verjaardag maanden lang heb toegeleefd. Waarschijnlijk ook, omdat de tijdsspanne van een week of een maand mij nog niet duidelijk was en ik dus dagelijks naar de stand van zaken ontrent de nog te wachten periode moest vragen. Bovendien mocht ik met drie doorstomen naar de oudste peuters op de crèche en al jong was ik in dat soort zaken ambitieus.

Nu word ik over een poosje vijfentwintig en sommigen denken dat dit het einde is van de jeugd. Ik niet. Ik had meer dat gevoel bij vierentwintig. Dat had ook een reden.

Toen ik een jaar of veertien was, heel stereotype, hield ik er van om mij te onderscheiden van het gewone gepeupel bij mij op school. Daar kon ik mij behoorlijk voor uitsloven en zo kwam het ook dat ik bedacht had te weten dat ik op 24 jarige leeftijd zou overlijden. Dat leek me toen nog een eeuwigheid ver weg. Bovendien stierven beroemdheden jong en op een dergelijk leven had ik mij wel ingesteld.

Ik bracht het verhaal met een zeker arrogantie en iets blasés -wat mij toch al eigen was- en dus joeg ik een paar brave meisjes uit mijn klas de stuipen op het lijf met dit merkwaardige gedrag. Het werkte niet bij iedereen. Dat wil zeggen, niet bij die mensen waar het mij het meest om ging. En zo stierf deze creatie een zachte dood. Tot ik 24 werd. Blijkbaar had het verhaal toch meer indruk achter gelaten dan ik gedacht had, want vrienden begonnen me er aan te herinneren. Juist ja, die mensen die ik er toen mee had willen imponeren, maar die er geen oor voor hadden. Dat dan weer wel.

Natuurlijk wist ik zelf, beter dan wie dan ook, dat het gewoon een verzonnen verhaal was en dat er nooit enige aanleiding -van hogerhand of wat dan ook- was geweest waar het op gebaseerd was. Maar daar zit je dan met je bijdehante gedrag en je 24 jaar. Weet je het dan nog wel zo zeker allemaal.

Vooral voor ik op vakantie ging dit jaar, op de motor, heb ik een aantal dromen met nare eindes gehad om dit zelfverzonnen jeugdtrauma te verwerken. Wat in zekere zin wel ironisch is en wat ik natuurlijk ook wel verdiend had. Zo heb ik dan tien later toch nog geleerd dat je beter niet met de dood kan spotten. Zelfs al gaat het over je eigen.

Mocht ik toch nog komen te overlijden dit jaar, dan heb ik daar alvast een gedichtje bij gecomponeerd. Immers, je wilt op je begrafenis toch niet afhankelijk zijn van het werk van anderen:

als ik sterf

leef ik mijn leven

als ik sterf

leef ik mijn droom

als ik sterf

denk dan voor even

sterven is ook heel gewoon

Ruim in de tijd zitten

Rebekka

 

Twee mannen stappen in de trein.
De een heeft een koffertje, de ander een rugzak.
De man met het koffertje is Reinier, die met de rugzak is Pieter.
Ze zijn waarschijnlijk vijfenvijftig plus,
omdat ze hun boterhammen nog zelf smeren. Zoals vroeger.

Reinier haalt twee boterhammen uit zijn tas,
zegt dat ze niet zo ruim in de tijd zitten.
Hij gebruikt die uitdrukking al lang, ruim in de tijd zitten.
Hij heeft tijd nooit ervaren als iets om in te kunnen zitten, maar hij zegt het
omdat z’n vrouw het vaak zegt.
Gek wel, omdat ook zijn vrouw tijd niet ervaart als een soort chesterfield.
Als iets ruims om in te zitten.
Zij zegt het, omdat hààr moeder het zegt.

Haar moeder weet niet hoe ze aan de uitdrukking komt.
Ze weet dat ze vroeger nadacht over tijd op andere planeten, en eeuwig leven, maar die gedachten stopten als het water kookte, of als de bel ging.
En de bel ging steeds vaker, omdat ze huwbaar werd.
Ze dacht niet meer aan andere planeten.
Ze kreeg vier kinderen, drie kippen, 1 huis en heel  veel stof dat constant verwijderd moest worden.
Ze weet dat haar jongste dochter een keertje zei:
‘jij bent vier moeders.’
En ze wist niet goed wat ze daarmee bedoelde, maar ze dacht weer aan andere planeten.
 
Reinier heeft nog korst over van zijn boterhammen, en vraagt of Pieter die wil hebben.
Pieter vindt dat Reinier het eerder had moeten vragen, en schudt zijn hoofd.
Reinier opent zijn koffer en stopt zijn lege broodzak erin.
Hij begint over zijn buik te wrijven.
Pieter zegt dat er allang niemand meer over zijn buik gewreven heeft.
Reinier zegt dat zijn moeder dat vroeger deed.

Het is 1964 en ze is sinds een aantal jaren de moeder van Reinier. Ze heeft gecompliceerde darmen.
Dat zijn darmen die overal nogal geïrriteerd op reageren.
Ze krijgt van haar nicht een boek over spijsvertering, geschreven door R. Speerzucht.
Ze leest het driftig, en maakt aantekeningen.
Sindsdien wrijft ze iedere dag, na het eten, haar kinderen een half uur over de buik.
Hopend dat de darmen van haar kinderen het beter in deze wereld zouden doen dan die van haar.
Niemand weet of ze ooit nadacht over tijd.

In de trein begint Pieter ook over zijn buik te wrijven en mist zijn moeder.

Reinier knikt naar de jongen naast hem, die naar zijn buik zit te staren.
De jongen vraagt zich af, of die uitdrukking, ruim in de tijd zitten, ergens begonnen is.
Bij een moeder die, ook als het water al kookte, nog dacht aan ruimte en tijd.
En of tijd stil kan staan, zodat je erin kunt gaan zitten.
De jongen denkt aan zijn eigen moeder.
Misschien is dat wel het enige waar je tijd aan kunt herkennen, denkt hij.
Aan het hebben van een moeder, die over je buik wrijft
en geen enkele moeder meer, daarna.
En dat in die ruimte, tussen het hebben van een moeder en het ontbreken ervan, alle tijd
gaat zitten.  
Hij bedoelt dat er niemand meer komt daarna, die altijd, zoveel

Pieter en Reinier stappen uit.
Kruimels vallen op de grond.
Pieter vraagt of Reinier een route beschrijving heeft
Een idee heeft van waar ze heen moeten vanaf hier

En of het nog ver is

 

 

Hotelgasten.

Freek Vielen

Ik werk sinds vier maanden in een hotel, als receptionist. Dat houdt dat ik achter een balie zit, die ook dienst doet als bar. De gasten komen ’s ochtends ontbijten en verder komen ze één keer binnen om in te checken en één keer om uit te checken. Heel af en toe bestelt er iemand iets te drinken. Voor de rest ben je, vrij veel, alleen.

Na een week had ik zoveel gezichten gezien uit zoveel windstreken dat ik in mijn laptop een mapje aanmaakte met ‘hotelgasten’.

Een kleine selectie daaruit kunt u hier lezen.

Waarschijnlijk deel 1 van een terugkerende reeks.

1.

Twee Twentse jongens die op zondagavond om 22:30 met de auto naar Amsterdam zijn gereden vragen naar een plek waar ze uit kunnen gaan. Ik zeg dat ze naar de Sugarfactory kunnen, omdat het zondag is.

“Maar”, vraagt de jongen, “dat is toch niet zo’n plek waar gevochten wordt? Want daar hou ik niet van, dat vechten.”

Hij leek te suggereren dat er ook mensen zijn die wel degelijk houden van vechten en die misschien zelfs zoeken naar plekken waar je het best uitgaan met vechten kunt combineren.

Ik weet alleen niet of dat iets zegt over het uitgaan in  Twente, of over het beeld dat ze in Twente hebben van het uitgaan in Amsterdam.

2.

Een Duitse vrouw is onnodig lang. Vooral haar kuiten en haar hoofd zijn echt groot. (Uit de kluiten gewassen, zou ik graag schrijven).

Drie ochtenden achter elkaar ontbijt ze in haar eentje. Waarbij ze vrij lang doet over een getoast wit broodje met jam. Als ze boterham opheeft slaat ze in straf tempo achter elkaar vier kopjes zwarte koffie achterover.

3.

Twee Finse mannen komen elke avond dronken en stoned binnen. Ze zijn bijna te lam om te lopen maar willen altijd nog twee biertjes voor om op hun kamer te drinken.

Op een avond heb ik een lang gesprek met een van hen. Hij heeft een ringbaardje, grote spierballen, veel tattoo’s en is motorrijder. Hij is waarschijnlijk een jaar of 45 maar ziet er jonger uit.

We hebben het over de Hells Angels, over hoe hij de pest aan ze heeft omdat ze altijd alles verkloten. Vooral in Helsinki waar de meeste ook een soort neo-nazis zijn. Hij wou een tattoo in Amsterdam laten zetten maar kwam er toen achter dat de zaak gerund wordt door een Hells Angel.

Hij vertelt over dat hij ook geen makkelijke jongen was, maar nooit echt verkeerde dingen deed. De mensen kennen hem wel kennen in Helsinki.

Maar ja hij heeft nu een zoon van 15 en dan wil je gewoon geen problemen meer. Zeker niet met die nazisukkels van de Hells Angels.

Hij moet terug naar Finland om zijn zoon te helpen. Die heeft problemen met de politie.

Klootzakken zijn het ook, laten je niet met rust.

Hij was een keer te lang in Amerika. Hij mocht maar drie maanden blijven op het toeristen visum, maar hij was …nou ja.. niet echt de manager… maar ook niet de… hij hielp gewoon met de financiën van een band, en hij was in Nashville voor die band. Ken je die band niet? Zijn wereldberoemd. Hier heb ik hun naam getatoeëerd.

Er was daar ook een meisje.  Mexicaans was ze. She was really really hot. But hot hot you know.

Nu doen ze elke keer moeilijk als ik in Amerika naar binnen wil.

Hij was ook met zijn dochter van drie in de bioscoop, naar ice-age, en zijn dochter maakte een boel lawaai, maar dat is juist zo mooi aan kinderen, dat ze een boel lawaai maken in de bioscoop. Hij mist zijn vrouw, nee niet die Mexicaanse, gewoon een Finse.

Zijn vrouw is niet echt een model of zo, maar ze heeft wel alles op de goede plaats, als je snapt wat ik bedoel, en rond, echt rond op de goede plaatsen, en hij mist haar, en hij houdt nog van haar, maar zij niet van hem en ze zijn gescheiden vorig jaar.

En als hij dan afrekent en gaat slapen, geeft hij mij een hand die hij lang vast houdt, want hij moest bijna huilen omdat hij zijn vrouw mist en hij houdt mijn hand vast en vraagt: are we cool? We are cool, aren’t we?

En ik zeg: yeah men, we are cool. I’m cool, you’re cool. We all are cool.

En ik geef hem het extra biertje voor op zijn kamer niet, waarvan hij alweer vergeten is dat hij erom vroeg, als hij naar boven strompelt.

Ik kijk hem na en vond hem echt een fijne vent en het was echt een fijn gesprek. Maar ik snap niet hoe alles in het leven zo cliché kan worden.

Want natuurlijk heeft die stoere motorrijder een zoon van 15 die problemen heeft met de politie en natuurlijk houdt hij veel van zijn dochter en natuurlijk mist hij zijn vrouw als hij dronken is, wat hij waarschijnlijk elke avond is. Maar waarom weet je dat eigenlijk allemaal al als hij de eerste keer het hotel binnenstapt, met zijn leren jack, zijn tatoos, zijn spierballen, zijn ringbaardje en zijn lichtblauwe spijkerbroek met gaten er in.

Waarom draag je als je een concertpianist bent een rokkostuum en als je in een metalbandje speelt een vormeloos zwart xl t-shirt met een andere metalband erop. Waarom zijn er zoveel mensen in uniform? En wat is er eerder, het beeld of de mensen?

4.

Een oudere man met grijs haar en een meisje drinken elk ontbijt melk met een beetje koffie. Mijn baas denkt dat ze  een stel zijn, maar het kan niemand anders dan zijn dochter zijn, lijkt mij.

5.

Tijdens een middag dienst zat er een meisje van een jaar of 24 in de foyer twee uur thee te drinken en een boek te lezen. Het was een van de meer zinnige tijdsbestedingen die ik de gasten al heb zien doen. Het leek me boeiender dan blowen of het Van Gogh museum bezoeken. Wat, werkelijk waar, iedereen doet. Vaak in combinatie.

Ik moest veel denken aan mijn vriendin, hoe zij in haar eentje in winderig en regenachtig Schotland in een café ging lezen en schrijven. Ik moest ook denken aan hoe zij vroeger op zondag werkte in de bioscoop van Zaandam, met maar één filmzaal. Op zondag was het er altijd uitgestorven zodat zij dan in haar eentje de krant zat te lezen, thee dronk en films mocht bekijken.

Als ik haar toen had gekend zou ik toen al op haar verliefd zijn geweest.

Ik ben verliefd op (oa) iemands eenzaamheid.

Ik bedacht me in het hotel, dat liefde bepaald lijkt te worden door contradicties.

Ben jij het niet die, ten tijde van liefde, overspoelt wordt door tegenstrijdigheid, dan is het de liefde zelf wel die het onmogelijke verlangt.

Onze contradictie is dat we bij elkaars alleen zijn willen zijn.

Wat nog verbazingwekkend goed lijkt te kunnen ook.

Toen het kopje thee op was, schonk ik een nieuw voor haar in. Ze keek enigszins verbaasd op uit haar boek. Ze was vergeten dat ik ook in die ruimte was.

Herfst

Sara

Het is een gokje, maar ik ga hem toch wagen. Immers wat is het leven zonder risico’s -een waarheid overigens waarmee mijn moeder het pertinent oneens is.

Komt ie: volgens mij is de herfst gisteren officieel begonnen. Figuurlijk officieel dan, want letterlijk begint de herfst officieel op 21 september. Maar gisteren was het voor het eerst zo’n druilerige grijze dag, waar er ongetwijfeld nog vele van zullen volgen. Het type dag waarop het nooit echt licht lijkt te worden en je in de continue veronderstelling bent dat de dag nog moet beginnen tot het moment dat het duister werkelijk indaalt en het alweer nacht is.

Had ik de dag er voor nog lekker in mijn hangmat in de zon zitten baden en leek het alsof dat genot zich nog eindeloos uit zou spreiden; na deze dag wist ik wel beter. De hangmat kon de kast in.

‘Ik heb zin in de zomer’ klaagt huisgenoot F, die er blijkbaar geen genoeg van kan krijgen, luidkeels aan de eettafel, gezeten achter haar tosti. Het is half twaalf ’s ochtends en we hebben het licht aan om de krant te kunnen lezen.

Maar gek genoeg verheug ik me eigenlijk wel op het nieuwe seizoen. Ik heb me al een paar weken geleden voorgenomen dat ik dit jaar eens ga genieten van de herfst. Van motregen en een tapijt van dode bladeren op de grond. Van paddenstoelen en de geur van schimmel en spinnen in grote webben waar regendruppels in hangen. Van je flink warm aankleden en het dan alsnog koud hebben of helemaal kletsnat regenen op de fiets. Van het feit dat het niet uitmaakt wanneer je opstaat of naar bed gaat, omdat er toch geen zonlicht te bekennen is.

Waarom? Ik zou eerder zeggen ‘Waarom niet?’. Het zou toch geniaal zijn als je kon genieten van al die dingen waar je normaal tegenop ziet. Uiteindelijk ben ik het zelf die uitziet naar de lente, waarom zou ik niet hetzelfde kunnen doen met de herfst?

Het is slechts een experiment, daar ben ik eerlijk in, maar eerder dit jaar heb ik een vergelijkbaar experiment succesvol afgesloten. Ik wou een nummer van the Rolling Stones downloaden voor een bekende, maar dat ging alleen als ik het gehele oeuvre van de band zou overnemen van het internet. Nou had ik Gigabites zat en tijd genoeg, dus dat deed ik dan maar, alhoewel ik niets met de muziek had. Ik vertelde dit aan een vriend en grapte dat ik nu ook maar fan moest worden.

-       Ik denk niet dat het zo werkt

-       Dat wil ik wel eens zien

Twee weken later was ik fan. The Rolling Stones bleken niet de harde rockband waar voor ik ze altijd gehouden had, maar grossierden in mooie melancholische muziek en lekkere associatieve teksten. Dat paste toevallig uitstekend bij de mindstate waar ik in die tijd in verkeerde. Toegegeven, dat was een bijkomstigheid die het experiment wellicht positief beïnvloedde, maar in de wetenschap kan je altijd maar met een beperkt aantal variabelen rekening houden.

Waarmee ik niet meer of minder wil zeggen dan dat ik hooggespannen verwachtingen heb van deze herfst. Wie mee wil doen is van harte uitgenodigd. Ik denk zelfs dat we met meer deelnemers onze kansen op een onvergetelijke herfst aanzienlijk vergroten.


TV Gids