In de trein 2-11-10

Freek Vielen

“Ik moet naar Antwerpen,” zeg ik, “kan ik dan deze trein ook nemen of kan ik beter wachten tot die van 46?”

“Je moet helemaal niet naar Antwerpen zegt de conducteur, je wilt naar Antwerpen dat is iets anders.”

En begint dan aan een verhaal over overstappen in Amersfoort op spoor zoveel A naar Rotterdam, waar ik niet naar luister omdat ik in mijn hoofd tegen hem zeg: ah dat is gek, ik dacht dat ik wel naar Antwerpen moest. Ik heb daar namelijk een afspraak. En mijn vriendin woont daar. Die wellicht nu aan het bevallen is. Of nog sterker: mijn vader ligt daar op sterven en vanavond is de laatste kans voor mij om hem te zien. Dus wie bent u om te bepalen wat ik al dan niet moet. Zeikerige brilsmurf. Met je nepuniform.

Maar terwijl ik dat denk zie ik witte huidschilfers rond zijn neus, en op de enige plek waar zijn schedel nog haar heeft (de zijkant) is het haar zo piekerig dat ik mijn mond hou. Vooral eigenlijk omdat hij mij zijn grapje net iets hard vertelt en net iets te veel vanuit zijn ooghoeken keek of de collega’s het wel gehoord hadden.
En ze hadden het gehoord, maar keken gegeneerd weg. Zo sloeg mijn woede om in medelijden. Iets wat me bijna altijd gebeurt met conducteurs. Of met welk NS-personeel dan ook.

je had de sponsorloop

Rebekka

 
Je had de sponsorloop heen en weer
tussen twee bruggen voor het goede doel
altijd dezelfde bruggen en altijd maurice.
elk jaar te dik voor de sponsorloop maar hij moest. zijn moeder
had het georganiseerd waardoor de grenadine te zoet was

Je had schoolzwemmen. de een na de ander achter elkaar naar de overkant / terug
de overkant
niemand inhalen
niemand als eerste
(er zaten mensen aan de kant te kijken en te wachten tot we opdroogden)

Je had de brief voor de prik. de enige brief die we ooit kregen
en móesten bewaren.
het werd een schoolreis
de moeder van maurice ging ook mee met haar handen
zodat je erin kon knijpen
het was de gelegenheid om niet te huilen
in het bijzijn van anderen

Je had het toneelstuk aan het einde. de woestijn heette het
maurice en ik de oase, martin de cactus en verder nog bedoeïen en een schaduw
mitchell die het doek ophield
+ de sterrenhemel
de aankondiging van de pauze
de palmbomen
de zandstorm
iedereen was er, er waren zelfs dubbelrollen, al vanaf het begin

Je had de middelbare school. er liep een jongen rond
die een draak op zijn hand getatoeëerd had
er waren voor of tegenstanders. als je niet voor was was je tegen en zo was iedereen
Je had de maatschappij waar we
het over moesten hebben
terwijl iedereen wist dat als maurice het over de maatschappij had
dan had hij het over jantine die hem had afgewezen

Je had weer een brief voor de prik.
voor niet-huilen in het bijzijn van anderen kregen we niks meer bovendien
was er weinig tot niets
overgebleven.

de schaduw voor de bedoeïenen
had geen zin meer al wilden we het
en
wat onze ziel was
wist niemand nog - maar maandag moest het al af zijn.

de bel ging. We mochten naar huis.

maurice zei dat hij vurig hoopte dat niet alle zielen verdeeld zouden worden
door de jongen met de tatoeage op zijn hand
maar niemand luisterde.
Iemand nam afscheid, slofte naar huis.

Ik denk dat het Martin was. Een voorstander.

Troc (door gastschrijver Lisa De Bode)

Maud Vanhauwaert

Volgens de verkoper werd hij voor het laatst gebruikt in de jaren vijftig. Trots betaalde ik voor het oude toiletkoffertje, netjes voorzien van scheergerei, naaisetje, kleerborstel en nagelvijl. Twee lege, troebele flesjes verdreven de muffe wasem van het verleden en herinnerden aan de onsterfelijke geur van de jeugd. Zes experts had de verkoper in dienst, zo verzekerde hij me, om de binnengebrachte objecten naar waarde te schatten. Ik bevond me aan de uitgang van een groot magazijn van een Europese multinational, tot op elke vierkante centimeter gevuld met verhalen.

 

Onder het plastieken zeil in de laadbak van een vrachtwagen vluchtte mijn opa, verkleed als meisje, voor de Duitse bezetter naar het Nederlandse platteland. Zijn lange haren werden afgeknipt en zijn lichaam aangesterkt totdat het blauw van het koren op de velden opnieuw helder in zijn ogen scheen en de oorlog teneinde liep. Twee jaar later scheepte hij in naar het zwarte continent van melk en honing samen met zovele anderen voor wie geen plaats was tussen de smeulende ruines van het na-oorlogse Europa. Zuid-Afrika en Mozambique kochten hem achtereenvolgens land en een huis, onderhielden zijn gezin, en verzachtten de groeven in zijn gezicht. De bruine nagelriemen van bezette aarde en gestolen aardappelen werden ingeruild voor kraaknet gesteven hemden, Engelse kostuums naar maat, en een gladgeschoren toilet. Tijdens de grote onafhankelijkheidsgolf had hij ter gelegenheid van de terugkeer naar Nederland zijn eenvoudige reisuitrusting vervangen door een set lederen koffers, waarbij een toiletkofferje bovenaan de stapel ingebonden glom onder de ruwe touwen van het ruim.

 

Mijn koffertje lijkt op die van opa, maar dan zonder spiegel of verroeste schaar. Hij staat op de kast in mijn kamer, oud en ietwat sjofel, maar trots op de voldoening die recht geschoren bakkebaarden hebben kunnen geven, en medeplichtig aan de geuren die mijn oma verleiden konden.

 

‘Je moet zo geen rommel kopen’, zegt mijn vriend me, wanneer ons bed alweer een extra twintig centimeter dichter bij de muur geschoven wordt om zo plaats te maken voor een oude, wankelende paspop uit de ateliers van een Engelse kleermaker.

 

Toen leek het alsof Londen hier heel erg ver vandaan lag, die eerste keer dat mijn oom ging trouwen, en alle nichtjes van de familie in mauve brokaatzijde en met rieten hoedjes met witte linten achter de bruid aan het altaar wachtten. Kordaat werden spelden in mijn zoom geprikt terwijl een tweede meisje de zijden stof om me heen drapeerde in een taal die ik niet verstond, alsof ik niet bestond voor haar, alsof mijn trillende lijfje en zwetende oksels niet anders waren dan de levenloze bustes om haar heen. Ongewild werd me de adem afgesneden door het al te strak aangespannen korset rond de uitpuilende borst van het meisje. Stilletjes aanschouwde ik het ritueel dat op mijn lichaam werd uitgevoerd. De jurk en de hoed hangen nog steeds in mijn kast, en mijn oom is intussen hertrouwd. Gemengd polyethyleen met beige katoen verving de witte zijde op zijn tweede trouwdag, al was zijn moeder te dronken van sherry en schande om het verschil te merken.

 

De schrijfmachine uit de jaren dertig is zwaar. Het groene apparaat waarop ik lang geleden mijn eerste aanslagen maakte, woog minder, en alle letters werkten nog, in tegenstelling tot het zwarte exemplaar dat ik nu vind. Ik koop hem zonder papier, zonder lint, met vergeelde letters en versleten toetsen. Ik hoor, terwijl ik het magazijn verlaat, de harde melodie van foutloze auditrapporten weergalmen doorheen de vuilgele muren van het koloniale gebouw in Lorenzo Marques[1], waar mijn opa werk vond.

Het is de stad waar vandaag zwarte ogen verwijtend doorheen de muren van de huizen, geperforeerd met kogelgaten, staren naar de eerste weifelende toeristen. Het is de stad waar het plaatselijk natuurkundig museum de twijfelachtige eer heeft de enige collectie ter wereld van olifantenembryo’s in elk stadium van ontwikkeling te bezitten. Het is de stad waar een warmte en vochtigheid heersen die nooit tussen mijn grootouders bestond.

Mijn oom hertrouwde in Engeland en mijn moeder is intussen gescheiden. Kinderen leren zelden uit de fouten die hun ouders maken.

 

Straks schuift het bed weer een beetje op.


[1] Lorenzo Marques is de voormalige naam van de hoofdstad van Mozambique, Maputo.

Welcome to Matala, George !

Rebekka

 

In het zuiden van Kreta, op een strandje tussen de rotsen werd ooit een George verwacht.
Op een muur dat het einde van het strandje aangeeft staat het in een zogenaamd hippie-handschrift.
(welcome to matala, george!)
Matala is een kuststad, waar in de rotsen aan het strand een Romeinse begraafplaats ligt gehakt.
Romeinen maakten kleine kamertjes voor de doden, zo ook in de rotsen van Matala.
Voor de doden reserveerden ze het beste uitzicht.
Dat vonden de hippies nogal gek en niet terecht bovendien, dus trokken ze met hun knapzak die rotsen in.
Ze besloten er te blijven, op het strand en in de rotsen, waar ze zo dicht mogelijk tegen de doden aan sliepen.
‘they brought it to life,’ zegt de eigenaar van het visrestaurant dat op het strand staat.
Het was een vreemde situatie.
 De eigenaar wenkt mij, terwijl ik over het strand loop. Hij biedt mij iets te drinken aan, nodigt mij uit op zijn lege terras.
Ik heb vaker in zo’n tweestrijd gestaan.
Eigenlijk is er geen aanleiding voor ons gesprek, en ik heb nu toevallig een wit doorschijnende jurk aan zonder bikini bovenstuk eronder, want die ben ik kwijt geraakt.
Maar op zich moet zoiets kunnen, denk ik.
Ik vraag me af, wat een hippie in dit geval zou doen.
Die zou me waarschijnlijk complimenteren met mijn outfit.
En daarna iets gaan drinken.
Ik ga zitten, omdat ik ook graag een hippie was geweest als ik daar de kans toe had gehad en het karakter.
Hij schenkt water voor mij in, en hij gaat vervolgens zwijgend naast mij zitten.
‘The life is over,´ zegt hij kijkend naar de zee.
‘You very white. Be careful for sun.’
Ik knik. Ik dacht dat ik inmiddels gewoon ‘white’ was, en niet meer ‘very white.’
‘The life is over,’ zegt hij.
‘If you let yourself care about money, you are going to be dead. Dead with your eyes open.’
Hij zegt verder weinig, waarschijnlijk omdat het leven afgelopen is
en post scriptums moet je kort houden.

Op het strandje van Matala sliepen Bob Dylan en Cat Stevens.
George verwelkomende men met een geschilderde muur.
Waar ook nog opstond: today is life, tomorrow never comes.
Madeliefjes ernaast.
Ze leefden van hun geluk.
Ik vertrek op het terras van de man, omdat ik niet moet ontkennen dat hij de hele tijd naar mijn borsten aan het kijken is, en ik dat niet leuk vind.
Wat de hippies ook beweren.
Ik ga kijken in de rotsen, waar vroeger de doden met rust werden gelaten.
Waar de hippies daarna in vrede lagen te slapen, waarschijnlijk met de gedachte dat het leven nu aan het gebeuren was.
En dat als je maar zo lang mogelijk vandaag leeft, dat morgen inderdaad niet komt. Zich omdraait en ergens anders naar toe gaat.
Ik vroeg me af wat er gebeurd moet zijn, dat iemand genoodzaakt is te concluderen dat
the life over is.
Zonder dat het dus stopt.
Misschien was er een magische zomer, die te magisch was, te mooi, te weinig kapitalistisch, te weinig darwinistisch. Was het een zomer waarvan je hoopte dat heel de wereld het maar kon meemaken. Ook de klootzakken. Gewoon te, zo
dat iedereen daarna moest zeggen dat er iets was afgelopen.

Het is inmiddels een toeristische attractie, wat betekent dat wat daar ooit was, voorbij is. Je kunt er nu alleen nog maar naar kijken, en zelfs dat niet eens echt, eigenlijk.
Er is nu een bordje gemaakt. En een hek voor de rotsen, dat om tien uur dichtgaat.
Er zijn verwachtingen van dit strand, omdat dit strand in boeken staat, veel buiktasjes en witte kuiten.
Maar nu nog niet, want het is april.
De witte kuiten komen meestal in juni pas naar buiten, zegt de eigenaar van het restaurant.
Hij stelt me voor aan de drie laatste hippies, die nu zelfgemaakte armbandjes verkopen.
Ze doen me denken aan de Indianen in Zuid-Amerika. Die nu in een reservaat zitten en voor Indiaan moeten spelen.
Alleen zijn de hippies dan niet de oorspronkelijke bewoners van een plek, maar van een tijd. Van een visie.
Van het geloof in doorschijnende jurken, omdat morgen toch niet komt.

De man op het terras had misschien niet door dat hij het tegen een 24 jarige had. Iemand wiens leven nog moest beginnen.
Ik wilde de man niet teleurstellen, door te zeggen dat het leven helemaal niet is afgelopen.
Het is jullie eigen schuld, dacht ik.
Je hebt het te mooi gemaakt. Je bent ‘hardheid’ vergeten.
Ik liep naar mijn handdoek, kijkend naar een zee die nog lang niet afgelopen leek.
De middag op het strand was uitgestreken, schaduwen waren zo lang als het duurde
en de mensen met wie ik daar zat
vonden elkaar
- onder andere in de overtuiging dat morgen alles beter wordt
terwijl wij ook wel wisten
dat het vandaag al zo goed was, met minstens dertien ijsjes op de kaart die we nog nooit geproefd hadden.

De tijd gaat voort

Freek Vielen

Door een soort technisch probleem (van het soort waar ik u niet mee lastig ga vallen) lukt het me niet om mijn nieuwe documentaire op deze plek te zetten. Daarom heb ik na een jaar van ongebruik het aloude www.freekvielen.nl maar weer eens uit het stof gehaald.

Daar kunt u dus luisteren naar de documentaire die ik maakte over het Vlaamse theatergezelschap De Tijd.

Mocht u willen reageren, gelieve dat hier te doen, niet daar.

het incident in de Aldi

Rebekka

Voor Marijn

(omdat er in de Aldi iets gebeurde, terwijl die klootzak van de Singel nr. 60, moge hij door zijn kinderen een zogenaamde ‘kankerlijer’ genoemd worden, zijn middelvinger naar mijn broer opstak).
(Het incident in de Aldi zou meer waard moeten zijn dan die klootzak)
(De klootzak van de Singel had niet structureel zijn beste beentje voorzet om een cool, groot mens te zijn,
iets dat zijn moeder hem toch nadrukkelijk had opgedragen.)
(Het gaat er niet eens om dat hij zijn middelvinger naar mijn broer opstak.
Door dat te doen, stak hij ook zijn middelvinger naar zijn moeder uit.)

In de Aldi is het altijd druk.
En altijd, is altijd.
Het is zo altijd, dat het de werknemers niet meer kan schelen dat het druk is.
Ze zetten er geen extra kassa´s bij.
Ze nemen geen moeite om iemand aan te kijken, of uit de weg te gaan als het moet.
Het is altijd zo onophoudelijk vol met mensen die goedkoop boodschappen willen doen, mensen die altijd kijken op 1tje meer of 1tje minder, dat ik een ochtendhumeur heb als ik bij de Aldi ben geweest, meestal rond zes uur ‘s avonds.
De Aldi heb ik al vaak genomineerd
Voor een troostprijs.

Ik moet geregeld denken aan de mensen die bij de Aldi werken
En aan feestjes die we misschien kunnen organiseren, om ze op te vrolijken.
En vandaag,
/ tromgeroffel /
heeft de Aldi onherroepelijk een ander gezicht gekregen.

Ik stond in de lange rij.
(Veel mensen gaan ook met twee naar de Aldi, omdat de een dan direct in de rij kan gaan staan, en de ander kan alle boodschappen aanvoeren).
Mensen voerden steeds meer boodschappen aan.
Voor mij stond een vrouw, achterin de zestig vermoed ik.
Ze had een aantal droevige producten, die ik ook geregeld koop, en wat minder droevige producten zoals zout, op de band liggen.
Ze boog zich voorover met een glimlach waar een soort geheim in lag,
alsof ze de kassajuffrouw ging influisteren dat ze de koningin van Engeland was.
Maar in plaats daarvan fluisterde zei: ‘Is Rutger er ook?’
De kassajuffrouw die geen contact maakte, zei: ‘Ja.’
Punt.
De oude vrouw glimlachte nog steeds, ze stond nog steeds voorover gebogen met haar geheim,
en ze zei: ‘Ik ben zijn moeder, ziet u.’
De kassajuffrouw reageerde niet.
‘Kunt u hem misschien hierheen laten komen?’
De kassajuffrouw reageert met een cynische glimlach.
Ik zucht.
Kassajuf drukt op een belletje, waardoor Rutger weet dat hij naar de kassa moet komen.
En daar komt Rutger, met zijn gele karretje
met zijn hangsnor
achter zijn dikke buik
en zijn aldi jas.
Zijn moeder staat inmiddels bij de uitgang.
Ze kijkt naar hem, als een moeder die aan de zijlijn van het voetbalveld staat.
Als een moeder wiens zoon in slow motion uit een raket komt gelopen, een raket die op de maan is geweest.
Ze glundert, en zwaait naar Rutger, die nu voor zijn moeder in zijn karretje draait.

Vandaag was de dag dat de Aldi een plek was waar mensen werken die ooit op het voetbalveld hadden gestaan, met een moeder aan de zijlijn.

Vandaag was ook de dag, dat ik hier een stukje over schreef, en dat ik schreef dat ik feestjes zou willen organiseren voor de mensen die daar werken.
Iets dat zelfs niet in de buurt van waar komt.
Zo iets onwaars zal je niet snel nog tegen komen.
Ik wil dus helemaal geen feestjes organiseren voor die mensen.
Ik durf ze nauwelijks aan te kijken.

Vandaag was het allermeest de dag dat de moeder van Rutger
alles heeft weg-geglunderd voor wie het kon zien.

Tegen haar glunder kon er niks op.
geen eentje meer of minder
geen lang houdbare augurken (die natuurlijk triestig zijn)
geen mensen die proberen voor te dringen
of mensen die lijken op lang houdbare augurken
geen leugens over feestjes

Ik hoop dat het met glunderen zo werkt, dat het in een straal van kilometers doordringt.
Zoals radioactief afval
En dan hoop dat de meerderheid in die twee kilometer
zo gesneden is
dat ze vinden dat een klootzak met een middelvinger
nooit
in de verste verte niet opkan tegen een glunderende moeder.

(Maar zo was de liefde niet.
Ze was een gekke stad, waar de mensen op de balkons verbleken.)

(Een zin van Pablo Neruda, waar ik steeds aan denk.)

Onderweg

Sara

Ik rij. En dat doe ik graag. Ze rijden links hier, maar dat maakt niet uit, want links en rechts zeggen mij niets. Aan de kant waar het stuur zit moeten de tegenliggers je passeren, dat is mijn regel en die werkt overal ter wereld. We rijden over een zandweg door een dorpje en alle kinderen die ons zien roepen ‘jambo’. Allemaal. Echt.

Ik rij misschien twintig, misschien langzamer. Dan hoor ik een jammerlijke kreet. Ik kijk om me heen en zie verderop een kindje. Maakte die dat geluid?  ’My dog’ roept Mohammed vanaf de achterbank. Hij is onze vertaler en heeft mooie lippen. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel en zie iets zwarts liggen.

We stappen uit. In de twintig meter die ik er heen loop, zie ik meteen dat er niets meer aan te redden is. Er ligt een klein zwart bolletje pluis met een beetje wit in het zand. Het is een heel jong hondje. Ik ben over zijn hoofd en hals heen gereden. Terwijl hij lag te slapen in het warme zand. Zijn ogen zijn uit de kassen gesprongen. Veel luguberder kan je het niet krijgen.

Hij maakt stuiptrekkingen en ik vraag Mohammed hoe we hem het snelst afmaken. Dat lijkt me wel zo vriendelijk, want dit lijden is zonder noodzaak. Maar Mo antwoordt dat hij al bijna dood is. En inderdaad duurt het geen 30 seconden meer voor het stuiptrekken stopt.

Een jongen pakt hem bij zijn staart. Hij schopt wat zand over de ogen en het kleine beetje bloed dat er ligt en trekt de hond de bosjes in. ‘Hij begraaft hem wel’, zegt Mo. ‘Nu zijn er nog maar drie jongen over’. De moederhond staat inderdaad op afstand te kijken, maar lijkt verbazend weinig geïnteresseerd. Ik blijf sorry zeggen en Mo zegt dat het niet geeft. Hij kijkt er bij alsof het ook echt niet geeft. Hij heeft dit vaker meegemaakt. Net als de moederhond, die alweer een andere bezigheid heeft gevonden.

De enige die dit niet eerder heeft meegemaakt ben ik. Alhoewel. Ik kan me herinneren dat ik ooit met een vriendje een vogeltje vond op de grond. Uit het nest gevallen. Het was een stumpertje, net uit het ei met nog natte veertjes en ogen die niets zagen. Een hopeloze zaak.

We moesten hem uit zijn lijden verlossen. Daar waren we het snel over eens. Maar hoe moesten we dat doen. En belangrijker nog, wie moest dat doen. Veel tijd voor uitgebreid beraad was er niet, want aan onze voeten lag het beestje te creperen. Wij leden onder elke seconde.

Ik weet niet meer waarom, maar de ondankbare taak viel mij toe. Met enige weerzin pakte ik het kleine nekje beet. Ik wachtte. En ik wachtte nog wat langer. Toen zei mijn dappere vriendje ‘toe dan’. In een snelle beweging bracht ik het hoofdje naar de romp en ik voelde het breken. Het stelde eigenlijk niet veel voor. De fysieke daad dan, want psychologisch maakte het wel indruk. Ik legde het vogeltje neer en die begon net zo naar te trekken als het hondje. Dacht je dat je het ergste gehad had, kreeg je dat nog. Het duurde eindeloos.

Mijn vriendje heeft hem geloof ik met de nodige egards begraven. Voor de ceremonie ben ik niet gebleven. Ondertussen rijden wij verder over de zandweg. Net zo langzaam als eerst. Ik kijk nog beter. Achter elke pol gras en elke rots. Ik zie een zwart plastic zakje liggen. Dat denk ik tenminste. Ik rij er op af en het beweegt niet. Ik rij  er over heen en ik luister. Ik hoor niets. Dat klopt, denk ik, plastic zakjes schreeuwen doorgaans niet.

The deleted scene´s

Rebekka

Beste publiek,
Op woensdag 20 januari heb ik een uur gereserveerd
in het kader van mijn master Woordkunst.
Het wordt een soort monoloog, omdat ik de enige ben die op het podium zal staan.
Ik nodig men bij dezen uit: woensdag 20 januari, Zwarte Zaal in de Singel. (Antwerpen)

Voor de uiteindelijke tekst hebben al veel teksten het moeten afleggen.
Tot aan de 20e, zal ik een aantal verweesde teksten op de Vrijdag zetten.
De eerste staat hieronder.
Een klein kader:
De ik/persoon in onderstaande tekst is Menno. Menno zat vroeger in mijn klas en hij is nu correspondent voor het Midden Oosten. Op dit moment is hij in Tel/Aviv.
Hij weet niet goed meer wat hij schrijven. Hij weet dat hij niet objectief kan zijn, en hij vraagt zich af of hij dan wel eerlijk kan zijn.
Een poging tot een achtergrond artikel voor de zaterdagkrant.

Vandaag zag ik een vrouw met enorm dikke billen. Ze was drie kwartier bezig om haar billen in te smeren met zonnebrand, want ook in alle putten die haar billen bevatten, moet wat zonnebrand liggen.
Ze kent het spreekwoord ‘wie zijn billen brandt’
uit ervaring. Verschillende ervaringen.
Ze heeft een badpak aan waar al haar vet in ligt te rusten. Als ze staat, probeert ze haar buik in te houden.
Ze weet dat ze haar billen niet kan inhouden, maar probeert maar wat, door haar buik aan te snoeren.
Ze loopt naar zee, waardoor alle zonnebrand uit haar putten loopt.
Ze haalt haar kleinkinderen op, die aan de rand van de zee zijn blijven staan. Een meisje verstopt zich onder haar billen.

Menno denkt aan zijn eigen, ingevallen oma. En denkt dat hij graag billen had gehad, die hij over z’n hoofd kon trekken als het nodig was, als een soort luifeltje.
Het meisje trekt een streep in het zand om haar oma heen.
Ze denkt misschien aan doodgaan.
En misschien zegt ze tegen haar oma, dat ze niet uit de cirkel mag stappen.
De jongen zet stappen in zee en het meisje volgt hem.
Oma blijft staan in haar cirkel.
Als ze terugkomen uit het water, dan staat oma nog op dezelfde plek, maar de cirkel is verdwenen door het water.
Misschien denkt het meisje weer aan doodgaan.
Misschien denkt de oma aan de putten in haar billen, en dat er niks meer in ligt wat de dieptes ervan tegen de zon beschermt.

Ze lopen terug. Terug naar hun handdoek.
Het meisje vraagt aan haar oma, of iedereen zulke billen krijgt later.
Alleen als je goed je best doet, zegt ze.
Oma kijkt op de klok. Ziet dat het nog maar half drie is.
Nog een eeuwigheid voordat het journaal begint. Goddank, Denkt ze, en ze smeert haar putten nog eens in.

De Feestdagen

Rebekka

 

Leg het fenomeen ´de Feestdagen´ maar eens uit aan een alien.
Ik heb het geprobeerd, op een winterwandeling naar het station.

Alien, we noemen hem voortaan Rudy:
Wat ga je doen de komende tijd?

(Rudy heeft tijdsbesef)

Rebekka:
ja, de Feestdagen komen eraan. Dus dat.

Rudy:
ah. Een aantal dagen waarop het feest is.

Rebekka:
Ja, in theorie. Er ligt vaak iets te veel druk op die dagen, waardoor het feestgedeelte van de dag niet per se meer aan bod komt.

Rudy:
Dat snap ik niet.

Rebekka:
Kijk, het zijn dé Feestdagen. Iedereen probeert als een gek feest te vieren. Het is een beetje zoals mijn moeder.
Doordat zij dan probeert het huis ‘gezellig te maken’, is ze nooit gezellig.
Omdat je met iets anders bezig bent dan met gezelligheid. Je bent de voorwaarde aan het maken, waarop er gezelligheid kan plaatsvinden. Althans, dat is natuurlijk ook maar haar visie. Want voor haar is de voorwaarde voor gezelligheid  in de eerste plaats een schoon huis. Wat voor anderen niet nodig is.

Rudy:
En wat heeft dat met de Feestdagen te maken?

Rebekka:
Tijdens de feestdagen is iedereen zo bezig met de Feestdagen, dat het nooit een feestdag is.

Rudy:
kucht

Rebekka:
Je moet het zo zien. Als je een feest organiseert, ben je zelf niet aan het feesten. En tijdens de feestdagen is iedereen aan het organiseren.

Rudy:
En waarom noemen jullie het dan feestdagen? En niet: organisatie dagen.

Rebekka:
Ken je Jezus?

Rudy:
Nee.

Rebekka:
Ja, in principe vieren we zijn verjaardag.

Rudy:
En naar welk feestje gaat Jezus dan, als iedereen zijn verjaardag viert.

Rebekka:
 nee, Jezus is al dood, maar dat is onder andere de oorsprong van deze feestdagen.

Rudy:
En is Jezus al lang dood?

Rebekka:
Ja jaaaa.. al heel lang.
Ja, die is een tijdje geleden aan een groot kruis gespijkerd.
Omdat hij moest sterven voor onze zonden.
Rudy:
Huh?

 

Rebekka:
ja, ik snap het ook niet helemaal. Het is zogezegd voor de mensen,
maar het is volgens mij niet zo dat de mensen daar om gevraagd hadden.
“Ey! Wil er iemand anders dit jaar aan dit kruis hangen voor onze zonden?
Ok. Drie kandidaten, Martin, Robert en Jezus.
Nou kom maar naar voren.”
Zo ging het dus niet. Jezus deed het gewoon.
Maar op zich heeft dat weer weinig met de feestdagen te maken.

Rudy:
De verjaardag van Jezus dus. En het is niet leuk.

Rebekka:
Het kan heel leuk zijn. Maar het is niet gemakkelijk om de feestdagen te doen slagen.
Ik ben zelf nogal gulzig van aard, en dan kunnen feestdagen al snel een horror worden. Aangezien er nogal veel voedsel voorhanden is.
Je moet niet van de Feestdagen willen dat het feestdagen zijn.
De Feestdagen hebben het al moeilijk genoeg.

Rudy wist niet meer wat hij moest zeggen, wat ik al de hele tijd hoopte. Ik wist namelijk niet goed hoe ik het moest uitleggen. We liepen nog een tijdje zwijgend langs het spoor.
Rudy zette me op de trein en zwaaide me uit.

In de trein reed ik weg van de Feestdagen.
Het was een soort vacuüm geweest.
Het voelde alsof ik twee weken lang niet in mijn eigen leven was, maar
op bezoek bij dat van anderen.
Ik had het gevoel dat ik mijn leven in de steek gelaten had.
Ik vroeg me af of dat wel kon.
Het leek alsof ik die twee weken niks constructiefs aan mijn leven had bijgebouwd.
Toen vroeg ik me af ik überhaupt wel mijn leven aan het opbouwen was.
Zo precies en stevig als een spin een web bouwt.
Ik vermoed van niet. 
Van zondag tot zondag
(met soms woensdag als enkele uitzondering)
kan ik een zekere plompverlorenheid
in dit uitdijend universum
niet onderdrukken.
Rudy had waarschijnlijk gezegd dat het onmogelijk is dat een spin zich niet even plompverloren voelt
als ik
Maar Rudy was er niet
dus ik dacht in plaats daarvan,  dat een spin zich helemaal niet plompverloren voelt
maar altijd opgevangen,  door zijn eigen web nota bene

Iets dat mij deze feestdagen drie ongelofelijke minuten
is overkomen.

Meneer Johanson in de bus.

Freek Vielen

Meneer Johanson zat in de bus.
Het was een hete dag tijdens een toch al hete zomer.
De buschauffeur had zijn broekspijpen en mouwen opgerold. Hij had een rood hoofd en een bril.
Verder was de bus leeg.
Meneer Johanson was helemaal achter in de bus gaan zitten en hield zich goed vast. Hij had zijn broekspijpen niet opgerold en zelfs zijn jas nog aan.
In de bindingsstraat stopte de bus.
‘O jee’, dacht meneer Johanson, ‘als dat maar goed gaat.’
Er kwamen twee passagiers binnen. Twee mannen waren het en ze hadden een rek mee, waar je was aan kan drogen.
‘Een rek,’ dacht meneer Johanson, ‘waar je was aan kan drogen? Wie neemt er nou een droogrek mee de bus in? Hadden ze soms nog geen rek? Wouden ze misschien twee rekken hebben? Hadden ze soms zoveel was? Hoe komen ze aan zoveel was?’
Meneer Johanson kreeg het warm van zoveel vragen en veegde met zijn hand over zijn voorhoofd.
‘Niks laten merken,’ dacht hij. ‘Niets laten merken.’
Tot nu toe had meneer Johanson nog nooit nagedacht over het verplaatsen van droogrekken. Hij was er min of meer van uit gegaan dat elk huis zijn eigen droogrek heeft en dat voldoende was. Maar nee, niets was blijkbaar minder waar; er wordt dus met droogrekken stad en land afgezeuld.
Eerst dus al dat ijzer met een vrachtwagen uit de bergen naar een fabriek, en dan op weer een andere vrachtwagen vol met droogrekken naar de winkel. En dan nu met een bus naar huis.
Meneer Johanson werd plots heel moe. Hij dacht: Alles wat in een huis staat is daar ooit door iemand heen gebracht.
‘En deze bus dan, die maar door de straten rijdt om de mensen te verplaatsen. Ook de banken, de schroeven, de stopknopjes in deze bus zijn gemaakt en hierheen gebracht.’
Hij keek naar buiten, zag lantaarnpalen, fietsrekken, vuilnisbakken en dacht: is alles in de wereld ooit verplaatst?
Meneer Johanson snapte die gedachte niet helemaal en op zijn voorhoofd waren nu duidelijk druppels zweet te zien.
‘Ik moet hier uit,’ dacht meneer Johanson, ‘ik moet hier nu onmiddellijk uit’.
Wat ook zo was, want ze waren in de Borgerstraat, waar meneer Johanson woonde. Hij stapte uit in de warme stroperige buitenwereld.
Er blies een briesje wind, maar Johanson werd er niet door verkoeld. Integendeel. ‘Aha’, dacht meneer Johanson, ‘aha, wind. Als ik het niet dacht.
Dus vrachtwagens al over de hele wereld met spullen naar de winkels toe en ook nog wind die misschien vanochtend nog wel in de Sahara was. Juist. Dus zo gaan de zaken. Naar alle waarschijnlijk ligt er nu zand uit de Sahara hier voor me op de stoep. Uit de Sahara! En als dat er niet ligt, dan liggen er zeker wel zaadjes, waar dan weer bomen uitgroeien. Hier voor mijn deur. Nu is er nog geen boom, maar als je alles zijn gang laat gaan, staat er als je even niet kijkt ineens een boom. Of een droogrek. Hup, plaats het maar allemaal voor de deur van meneer Johanson. Kom maar hier hoor wind, met je zaadjes vol met bossen! Kieper heel dat bos maar voor de deur van Meneer Johanson, alsof er niet al genoeg voor mijn deur is!
Het begon Meneer Johanson te duizelen. De hele wereld die constant maar aan het bewegen is. Hij voelde een druppel zweet over zijn rug naar beneden rollen en zijn hart kloppen in zijn keel.
‘Nee,’ dacht Meneer Johanson, ‘mijn hart! Het beweegt. Bloed gaat constant door mijn aderen. Zoals het water constant door de rivier van de berg naar de zee. Alles beweegt en beweegt maar.’
Hij moest zich vast houden aan de deurklink van zijn huis.
‘Ik ren naar boven toe, naar mijn kamer toe, doe de gordijnen dicht, de deur op slot, de klok zet ik stil en dan beweegt er helemaal niks meer in mijn kamer. Hebben jullie dat goed begrepen!’ Hij schreeuwde het naar de overdrijvende wolkjes toe. ‘Niks gaat er bewegen in mijn kamer, helemaal niks!’
De echo van zijn schreeuw weerkaaste in de verder uitgestorven straat.
Hij zette zich schrap en maakte zich klaar voor een laatste sprint naar zijn zolderkamer toe.
Hij opende de deur van het trappenhuis en rende de trappen op naar zijn kamer.
‘Meneer Johanson, komt u niet even kopje thee drinken?’, riep de stem van zijn onderbuurvrouw.
Maar Meneer Johanson was zo snel dat hij gelukkig net kon doen alsof hij het niet gehoord had.


TV Gids