GeenGedichten

Maud Vanhauwaert

 

1

 

mijn moeder is een vrouw

 

die lange bobbelige regenjassen draagt

en mijn vader is een spermabank uit Zweden

 

een mooie spermabank

met een afhellend dak waarin zonnepanelen zitten verwerkt

 

en een inkomhal met een draaideur

met glazen tussenwanden waarop met een sneeuwspuit

 

kerstrozen zijn gespoten

 

 

 

2

 

in Marokko staat een lemen huisje met maar één verdieping

 

waarop een schuimbekkende kameel staat

om het heilige water naar boven te pompen

 

waarvan je dan een bekertje kan krijgen

tegen betaling

 

soms voelt de kameel zijn knieën zo kraken

dat hij, als hij ooit sneeuw had gezien

 

het vergeleek met het kraken van sneeuw

 


3

 

ik lig in bed. Ik slaap naast de liefde

 

de liefde vertelt over grote zwarte schoenen

met hoogopgetrokken witte kousen

 

waarboven een korte zwarte broek, een strak getrokken wit hemd

over een bolle buik. Een colbertje

 

van een man die achteraan in een winkel, in een duffig vertrek

de in rode was omsloten kaasbollen omdraait

 

tweewaal daags. Want zo hoort het

 

 

 

4

 

in het bureau zit een rechercheur op een bal, voor zijn rug

 

en vergelijkt een -wat hij vermoed- witte zilverreiger

op het schermpje van zijn digitale foto-toestel

 

waarmee hij gisteren in de sneeuw

handig overweg kon

 

met een witte zilverreiger op Wikipedia

het is dezelfde. De rechercheur is opgelucht

 

daarna ondervraagt hij mij in een video-verhoor

 

 

5

 

de Bosnische jongen weet niet hoe

 

hij melk moet opkloppen

nochtans heeft hij net een café geopend

 

en is het een succes. Want hij organiseerde

een openingsfeest met een brassband

 

en veel volk dat uit de bol ging

hoewel (hoewel ik er ook was)

 

het voornamelijk Bosnische familieleden betrof

 

 

 

6

  

ik zit in de auto. Het is middag

 

het is lente. Mijn auto-raampjes zijn helemaal open

ik wacht voor een verkeerslicht

 

plots kijkt een kind naar binnen

het kijkt, meer bepaald

 

naar het rode kleedje dat met een kapstokje aan mijn autospiegel hangt

in het kleedje zit een zakje met vanillekorrels

 

de korrels geven al lang geen geur meer af

 

 

 

7

 

ik zit in de trein. Ik ben op de terugweg

 

voor mij zit een man. De man is Ethiopiër

en röntgen-fotograaf

 

hij vraagt of ik een boek wil schrijven over zijn leven

ik het boek. Hij het leven

 

hij is opgegroeid in een pleeggezin in Amerika

tien jaar geleden vond hij zijn moeder in Ethiopië

 

die moeder bleek vorig jaar toch zijn moeder niet te zijn

 

 

Mijn reactie


TV Gids