Auteur archief

GeenGedichten

vrijdag 24 december 2010

 

1

 

mijn moeder is een vrouw

 

die lange bobbelige regenjassen draagt

en mijn vader is een spermabank uit Zweden

 

een mooie spermabank

met een afhellend dak waarin zonnepanelen zitten verwerkt

 

en een inkomhal met een draaideur

met glazen tussenwanden waarop met een sneeuwspuit

 

kerstrozen zijn gespoten

 

 

 

2

 

in Marokko staat een lemen huisje met maar één verdieping

 

waarop een schuimbekkende kameel staat

om het heilige water naar boven te pompen

 

waarvan je dan een bekertje kan krijgen

tegen betaling

 

soms voelt de kameel zijn knieën zo kraken

dat hij, als hij ooit sneeuw had gezien

 

het vergeleek met het kraken van sneeuw

 


3

 

ik lig in bed. Ik slaap naast de liefde

 

de liefde vertelt over grote zwarte schoenen

met hoogopgetrokken witte kousen

 

waarboven een korte zwarte broek, een strak getrokken wit hemd

over een bolle buik. Een colbertje

 

van een man die achteraan in een winkel, in een duffig vertrek

de in rode was omsloten kaasbollen omdraait

 

tweewaal daags. Want zo hoort het

 

 

 

4

 

in het bureau zit een rechercheur op een bal, voor zijn rug

 

en vergelijkt een -wat hij vermoed- witte zilverreiger

op het schermpje van zijn digitale foto-toestel

 

waarmee hij gisteren in de sneeuw

handig overweg kon

 

met een witte zilverreiger op Wikipedia

het is dezelfde. De rechercheur is opgelucht

 

daarna ondervraagt hij mij in een video-verhoor

 

 

5

 

de Bosnische jongen weet niet hoe

 

hij melk moet opkloppen

nochtans heeft hij net een café geopend

 

en is het een succes. Want hij organiseerde

een openingsfeest met een brassband

 

en veel volk dat uit de bol ging

hoewel (hoewel ik er ook was)

 

het voornamelijk Bosnische familieleden betrof

 

 

 

6

  

ik zit in de auto. Het is middag

 

het is lente. Mijn auto-raampjes zijn helemaal open

ik wacht voor een verkeerslicht

 

plots kijkt een kind naar binnen

het kijkt, meer bepaald

 

naar het rode kleedje dat met een kapstokje aan mijn autospiegel hangt

in het kleedje zit een zakje met vanillekorrels

 

de korrels geven al lang geen geur meer af

 

 

 

7

 

ik zit in de trein. Ik ben op de terugweg

 

voor mij zit een man. De man is Ethiopiër

en röntgen-fotograaf

 

hij vraagt of ik een boek wil schrijven over zijn leven

ik het boek. Hij het leven

 

hij is opgegroeid in een pleeggezin in Amerika

tien jaar geleden vond hij zijn moeder in Ethiopië

 

die moeder bleek vorig jaar toch zijn moeder niet te zijn

 

 

Troc (door gastschrijver Lisa De Bode)

maandag 12 juli 2010

Volgens de verkoper werd hij voor het laatst gebruikt in de jaren vijftig. Trots betaalde ik voor het oude toiletkoffertje, netjes voorzien van scheergerei, naaisetje, kleerborstel en nagelvijl. Twee lege, troebele flesjes verdreven de muffe wasem van het verleden en herinnerden aan de onsterfelijke geur van de jeugd. Zes experts had de verkoper in dienst, zo verzekerde hij me, om de binnengebrachte objecten naar waarde te schatten. Ik bevond me aan de uitgang van een groot magazijn van een Europese multinational, tot op elke vierkante centimeter gevuld met verhalen.

 

Onder het plastieken zeil in de laadbak van een vrachtwagen vluchtte mijn opa, verkleed als meisje, voor de Duitse bezetter naar het Nederlandse platteland. Zijn lange haren werden afgeknipt en zijn lichaam aangesterkt totdat het blauw van het koren op de velden opnieuw helder in zijn ogen scheen en de oorlog teneinde liep. Twee jaar later scheepte hij in naar het zwarte continent van melk en honing samen met zovele anderen voor wie geen plaats was tussen de smeulende ruines van het na-oorlogse Europa. Zuid-Afrika en Mozambique kochten hem achtereenvolgens land en een huis, onderhielden zijn gezin, en verzachtten de groeven in zijn gezicht. De bruine nagelriemen van bezette aarde en gestolen aardappelen werden ingeruild voor kraaknet gesteven hemden, Engelse kostuums naar maat, en een gladgeschoren toilet. Tijdens de grote onafhankelijkheidsgolf had hij ter gelegenheid van de terugkeer naar Nederland zijn eenvoudige reisuitrusting vervangen door een set lederen koffers, waarbij een toiletkofferje bovenaan de stapel ingebonden glom onder de ruwe touwen van het ruim.

 

Mijn koffertje lijkt op die van opa, maar dan zonder spiegel of verroeste schaar. Hij staat op de kast in mijn kamer, oud en ietwat sjofel, maar trots op de voldoening die recht geschoren bakkebaarden hebben kunnen geven, en medeplichtig aan de geuren die mijn oma verleiden konden.

 

‘Je moet zo geen rommel kopen’, zegt mijn vriend me, wanneer ons bed alweer een extra twintig centimeter dichter bij de muur geschoven wordt om zo plaats te maken voor een oude, wankelende paspop uit de ateliers van een Engelse kleermaker.

 

Toen leek het alsof Londen hier heel erg ver vandaan lag, die eerste keer dat mijn oom ging trouwen, en alle nichtjes van de familie in mauve brokaatzijde en met rieten hoedjes met witte linten achter de bruid aan het altaar wachtten. Kordaat werden spelden in mijn zoom geprikt terwijl een tweede meisje de zijden stof om me heen drapeerde in een taal die ik niet verstond, alsof ik niet bestond voor haar, alsof mijn trillende lijfje en zwetende oksels niet anders waren dan de levenloze bustes om haar heen. Ongewild werd me de adem afgesneden door het al te strak aangespannen korset rond de uitpuilende borst van het meisje. Stilletjes aanschouwde ik het ritueel dat op mijn lichaam werd uitgevoerd. De jurk en de hoed hangen nog steeds in mijn kast, en mijn oom is intussen hertrouwd. Gemengd polyethyleen met beige katoen verving de witte zijde op zijn tweede trouwdag, al was zijn moeder te dronken van sherry en schande om het verschil te merken.

 

De schrijfmachine uit de jaren dertig is zwaar. Het groene apparaat waarop ik lang geleden mijn eerste aanslagen maakte, woog minder, en alle letters werkten nog, in tegenstelling tot het zwarte exemplaar dat ik nu vind. Ik koop hem zonder papier, zonder lint, met vergeelde letters en versleten toetsen. Ik hoor, terwijl ik het magazijn verlaat, de harde melodie van foutloze auditrapporten weergalmen doorheen de vuilgele muren van het koloniale gebouw in Lorenzo Marques[1], waar mijn opa werk vond.

Het is de stad waar vandaag zwarte ogen verwijtend doorheen de muren van de huizen, geperforeerd met kogelgaten, staren naar de eerste weifelende toeristen. Het is de stad waar het plaatselijk natuurkundig museum de twijfelachtige eer heeft de enige collectie ter wereld van olifantenembryo’s in elk stadium van ontwikkeling te bezitten. Het is de stad waar een warmte en vochtigheid heersen die nooit tussen mijn grootouders bestond.

Mijn oom hertrouwde in Engeland en mijn moeder is intussen gescheiden. Kinderen leren zelden uit de fouten die hun ouders maken.

 

Straks schuift het bed weer een beetje op.


[1] Lorenzo Marques is de voormalige naam van de hoofdstad van Mozambique, Maputo.

scheenbreuk, een dubbele

maandag 30 november 2009

De eerste keer vond ik hem na een halfuur terug, tussen het zit- en rug- kussen van mijn sofa. De tweede keer vond ik hem na twee uur zoeken nog niet. Zeer vervelend. Ik voelde mij genoodzaakt om meteen een nieuwe te kopen in de Mediamarkt. Ik vroeg een verkoper naar een adapter die zeker aansluitbaar was op mijn computer. Ik betaalde 80 euro, waar ik niet echt mee kon lachen. Op de terugtocht naar mijn appartement werd ik helemaal natgeregend. Denk aan een sandwich die in het water is gevallen. Dat gevoel.

Toen ik thuiskwam probeerde ik meteen mijn nieuwe aanwinst uit. Het werkte niet. Ik kreeg de adaptor niet aangesloten. Denk aan een kilo verdikt zijn, na drie dagen dieet. Dat gevoel. Ik ben terug naar de mediamarkt gegaan. Deze keer nam ik de tram. Ik wilde niet nog eens droge kleren aantrekken straks. In Antwerpen betaal ik het openbaar vervoer niet.  Er is toch nooit controle. Die dag wel. Ik betaalde een boete van 70 euro. Denk daar maar aan. Dat gevoel. Toen ik bij de mediamarkt aankwam, was de winkel al gesloten.

Misschien zou er nu op de hoek van de winkel iemand opdoemen, die mijn leven een nieuwe wending kon geven. Iemand met een leuk rood mutsje met daaronder opverende krullen die mij een briefje met een telefoonnummer zou toestoppen, een toegangscode. Iemand die de hindernissen van de dag plots de moeite waard kon maken. Misschien kon mijn pech van die dag nog grotere proporties aannemen, bijvoorbeeld in een dubbele scheenbreuk, waardoor de opeenvolging van ongelukken het begrip toeval in twijfel kon trekken. Maar ik reed zonder problemen terug naar huis. De kaas in mijn frigo was nog niet beschimmeld. De douche ’s avonds was ook nog betrekkelijk warm.

Mijn dag -en de eerlijkheid gebied mij te zeggen dat dit soort van, laat ik maar zeggen, ‘klotedagen’ met een vrij hoge freqeuentie mijn leven komen binnenvallen-, was dus totaal niet vruchtbaar geweest en ook niet tragisch genoeg om het op te plooien tot een straffe anekdote, die ik te pas en te onpas kon opdiepen, bij een kampvuur, in een pijnlijke stilte, of in een column. Dat laatste heb ik dan hier maar toch gedaan, uit eerbied voor de klote dagen, en ook vanuit het democratische beginsel dat je met een aanwezigheid van meer dan tien procent toch een stem moet krijgen.

                              

 

bijpraten met Jaap

maandag 23 november 2009

Meestal loop ik door. Meestal heb ik een trein te halen. Of sluit de winkel over vijf minuten.  Maar op 17 juli bleef ik staan, in het poëziecentrum van Gent, bij het boekje ‘zullen we een bos beginnen’. Ik dacht ja. Dat dacht ik mijn terugtocht lang. Op mijn appartementje begon ik te lezen. Mijn ja werd volmondig.

 

Als een kind iets zegt, dan heb ik de neiging het te geloven. Dat soort kracht hebben de gedichten van Jaap Robben. Ze zijn waar. Niet in de vorm van algebraïsche slotsommen of metafysische stellingen. Nee. Het is de waarheid uit een kindermond.

 

Ik dacht:  ik moet eens koffie met hem drinken. Ik mailde hem en was verwonderd toen hij antwoordde. (Het is raar als een schrijver iets buiten een kaft schrijft.) Een paar weken later treinde ik naar Nijmegen, zijn stad.

 

Ik had alleen een foto van zijn hoofd gezien, op de achterflap van de bundel. Een open voorhoofd, vrolijke krulletjes en een mond die een beetje schuin glimlacht. Hij wist helemaal niet hoe ik eruit zag. Ik had hem ook niet verteld dat ik een korenblauw T-shirtje zou dragen. Hoe kon hij mij in de massa onderscheiden? Op een perron kijkt iedereen hoopvol.

 

Uiteindelijk herkent hij mij door mijn herkenning van hem.

 

 Zijn benen zijn langer dan diegene die ik bij zijn hoofd had gedacht. Ik geef hem drie kussen. Hij vraagt waarom. Ik vertel hem dat je, in België, bij een plechtige gelegenheid drie kussen geeft en in amicale omstandigheden één.  We lopen uit het station en worden aangeklampt door een Unicef-handlanger. Ik haat kinderen, zegt Jaap Robben op zijn avances, en we kunnen rustig verder lopen.

 

Ik weet niet goed in welke gespreksvorm we zullen belanden. In mijn mailtje vroeg ik of ik hem mocht interviewen. Stiekem hoop ik dat we gewoon koffie kunnen gaan drinken, en ‘bijpraten’, alsof we elkaar al jaren kennen. Jaap neemt een zware draagtas van mij over en begint zelf met vragen stellen. Ik ben opgelucht.

 

Jaap,  stadsdichter van Nijmegen, leidt mij naar het terras van een bruin café.  Ik vraag mij af of een terras van een bruin café een bruin terras is, maar vind de gedachte het uiten niet waard. We zoeken ons een tafeltje in de zon. Op zijn aanraden probeer ik het plaatselijke korianderbier. We praten. Meer dan drie uur lang.

  

Intussen kijken zijn bosgroene ogen mij rustig aan. Af en toe passeert er iemand die hij kent en dan wisselt hij een hoi. Hij spreekt rechttoe rechtaan, zonder gezwijmel, maar delicaat. Ik denk aan zijn gedichten. Na twee uur, praten we over de liefde en over huisvesting. (Je kan het alleen over poëzie hebben als je het ook over liefde en huisvesting hebt.)

 

Welke associatiesprongen we die namiddag precies uitvoerden, ben ik vergeten. Het waren lichte sprongen, zonder bruuske bewegingen. Tussendoor miste ik drie treinen. Jaap verkondigde het telkens met gelatenheid: “die trein heb je gemist”, en daarna praatten we verder.

 

Na een korianderbier die we als ‘de laatste’ benoemen, verlaten we het lichtbruine terras en lopen naar het station. Bij het afscheid geef ik hem een enkele kus.

 

 

Door de slaapverwekkende cadans van de trein kan ik mijn gedachten nog moeilijk focussen. Ik kan niet meer geconcentreerd nadenken over een enkele plaats. Ik denk alleen nog aan grote lappen grond, aan landen,  en uiteindelijk, half verzonken al,  aan de wereld.  Mijn mening over de toestand van de wereld is niet gebaseerd op feitenmateriaal, op statistieken of holistische filosofieën. Het is gebaseerd op ontmoetingen. Ik ontmoette Jaap Robben. En ik dacht: wat gaat het goed met deze wereld.

Intussen

zaterdag 19 september 2009

Het verhaal. Deel 1: bijna 1960

 

 Zijn grootvader weet niet goed hoe hij afscheid moet nemen. Hij buigt zich voorover en hangt de accordeon, die hij –zolang het Russische dorp zich herinnert-  zelf gedragen heeft, over de smalle schouders van de jongen.  De jongen glundert. Hij voelt zich een winnaar, gehuldigd, met de meest gouden medaille.

 

 Sergey stapt, met op zijn buik de accordeon, en op zijn rug een grote zak, de trein op.  Naar België. In de krant heeft hij gelezen dat een Belgisch medische team op zoek is naar mensen met dertien tenen. Ze wil graag onderzoeken in hoeverre die mensen hun evenwicht kunnen behouden. Het team betaalt een fikse som aan alle proefpersonen.

 

 

Het verhaal. Deel 2: bijna 2010

 

Ik ga zitten op een bankje in de winkelstraat. Het is bijna twee uur. Ik heb hier afgesproken met een vriend. Om koffie te gaan drinken. Rond deze tijd beginnen mensen al inkopen te doen voor het eindejaar. Er passeert een jonge man met een langwerpig plat cadeau. Ik vermoed dat er een strijkplank inzit. Een jonge vrouw stapt moedig naar me toe en vraagt of ze mij iets mag vragen. Ze heeft een schrijfplaat en ik zie als snel dat de metalen clip enquête formuleren vasthoudt. Alle, het is goed, wat wil je van me weten. De vrouw gaat enthousiast naast mij op het bankje zitten en begint.

 

- Ben je man of vrouw?

- Zie je dat niet?

De vrouw bloost.

- Sorry wij moeten dat vragen, voor alle zekerheid

- Ok, ik begrijp het. Ik ben een man

 

De vrouw kijkt me onderzoekend aan. Het slaguurwerk, in de kerktoren van de stad, slaat twee uur. (Intussen rijdt een zakenman, terwijl hij een boterham met crunchy speculoospasta opschrokt, gehaast naar een meeting (denkt een Boliviaanse verpleegster terwijl ze een overwerkte directiesecretaresse aan het infuus legt: het is nu nog maar 9 uur in La Paz (zegt een prostitué tegen haar klant: sorry, time up (zet een dame, vanuit haar koffievlekkleurige sofa, een nieuw streepje in haar logboek: voila, nu ben ik al  85 jaar, 3 maanden, 2 dagen en 8 uur oud (vliegen de duiven, die zich net zo warm hadden genesteld in de kerktoren, verschrikt op (vraag ik mij af waar mijn vriend blijft.)))))

 

Aan de overkant van de winkelstraat, is een man komen staan. Hij draagt een gescheurde kakigroene broek, een vuil paars trainingsvest en een accordeon. Hij legt een leeg bakje op de grond, vettig van de kleine portie frieten, en begint te spelen. Hava nagila, hava nagila. Hava nagila venis’mecha. Hij glimlacht. (Intussen vraag ik mij af of hij veel zorgen heeft. En een huis om ze in op te stapelen. (Intussen vraagt de enquêtrice naar mijn leeftijd, naar mijn bezit van huisdieren en naar mijn mening over het gebruik van eekhoornoortjes in de verwerking van speculoospasta)). Ik glimlach terug. Het is mijn vriend, net toegekomen, die de glimlach vangt.

 

 

 

 

 

 

 

wawend

maandag 31 augustus 2009

 

Ik had al vijf dagen op Kreta rondgewandeld, met mijn teva-sandalen en een plastieken‘zogezegd-stro’-hoed, en had nog maar twee streepjes muziek opgevangen. Het ene kwam van een groep Hollandse toeristen die op het strand luidkeels een lied van André Hazes zongen. (Zij rokken daarbij de definitie van muziek wel heel ver uit.) De andere muziek produceerden de krekels. Zij wilden zich ‘s nachts perse rond mijn tentje verzamelen om daar een generale repetitie koorzang te houden. Ik dacht niet aan een massa-orgie.

Het wordt tijd dat ik de echte Griekse muziek leer kennen, zo dacht ik. Ik kocht een cd in een souvenirwinkeltje. Ik besefte daarna pas dat ik geen cd-speler had, en stak het cd’tje dan maar weg, in mijn muffe rugzak. Die avond wandelde ik langs de baai van het dorpje Matala, op zoek naar een gezellige bar om een Mythosje te drinken. Mythos is het plaatselijke bier van Kreta. Ik had er op korte tijd al zo’n grote band mee opgebouwd, dat ik het na amper twee dagen met een verkleinwoordje aansprak.

Ik bleef staan bij een open zomerbar, waarin op groot scherm een concert werd getoond van ‘de man die bewees dat je zonder neus nog altijd de bekendste neus ter wereld kunt hebben’.

Ik moet toegeven dat op dat moment Michael Jackson voor mij nog niet veel meer betekende dan Mr Proper. Hun smoelwerk is net niet echt, de vloer lijkt glad onder hen en ze zijn naar verluid de beste binnen hun categorie. Maar aan die bar in Kreta viel mijn mond open. Vol verstomming keek ik naar the king (die op dat moment in zijn graf op hersenen wachtte). Ik kon alleen maar zeggen ‘waw’, een woord dat je goed kunt zeggen met een openhangende mond.

Veel zangers vandaag krijgen hun publiek wild door, vanop het podium, te schreeuwen: “komaan met die handjes, schudden die hitsige heupkens”. Maar Jackson kreeg zijn publiek dol door beheerst een hand op zijn hoed te leggen, als een doordeweekse hoedendrager vechtend tegen de wind. Michael Jackson deed niet alsof hij ‘lekker losjes en natuurlijk’ op het podium stond. Nee. Elk gebaar leek krankzinnig ingestudeerd en waanzinnig onnatuurlijk. Het ontroerde mij. Zelden heb ik iemand zo eerlijk op een podium zien staan.

Want ik geloof geen performers die doen alsof het podium zo huiselijk zacht is als een sofa. Een podium is hard en gevaarlijk glad.

Anderhalf uur heb ik in de bar naar het concert gekeken, mijn mond: wawend. Pas na het concert zag ik dat mijn Mythosje niet eens was aangeraakt. Het stond daar lauw op de toog. Het had zelfs zijn kraagje niet meer op. Een paar dagen later, toen ik weer in België was, haalde ik het cd’tje uit mijn muffe rugzak. Nu pas, met een bakje friet naast mij op een zachte sofa, kon ik genieten van de Griekse volksmuziek, (die trouwens verdacht veel op het geluid van krekels lijkt).

Ik moest in Kreta zijn om Michael Jackson te ontdekken en thuis zijn om Griekse muziek te horen. Het is als bij neuzen: soms wordt iets pas opvallend, als het er niet meer echt is.

 

Tutu

dinsdag 14 april 2009

Vlakbij het station, waar mijn fiets stond,  zag ik een engel op een sinaasappelkist staan. Het was een jobstudent die door de Mediamarkt was gevraagd om rode, met helium gevulde ballonnen uit te delen.  Op de ballonnen stond ‘mediamarkt –en dan een hartje- you’.

 

Ik zwichtte voor het witbepoederde gezicht. Samen met mij, strekte ook een besnorde man zijn hand uit naar de bundel ballonnen. De engel wou ons allebei even snel bedienen, en de touwtjes van de twee losgemaakte ballonnen verstrengelden.  

 

 Ik keek de man met de snor aan en hij glimlachte verlegen.  Had hij al iemand aan wie hij de ballon kon geven of zou hij nu op zoek gaan.  Ik vroeg mij ook af hoeveel mensen aan mij zouden denken als ze een ballon konden weggeven.

 

Ik maakte mijn winst met drie knoopjes vast aan mijn stuur en fietste naar mijn appartement. Op het kruispunt van de Belgiëlei en de Lange Leemstraat wachtte ik voor een zebrapad. Aan de andere kant stond een klein Joods meisje. Haar roze tutuutje stak vrolijk af tegen het bleke gezicht.

 

 Ze staarde afwezig voor zich uit en hield de hand van haar moeder vast (of de moeder hield haar handje vast. Bij handen kan je dat vaak moeilijk zeggen). Toen ze mijn ballon zag, schrok ze op. Haar donkere ogen glommen tussen de voorbijrazende auto’s door. Het tutu-rokje bolde op.   

 

Ik keek het meisje samenzweerderig aan. Ik wilde haar toeroepen: ik maak de ballon voor je los! Zenuwachtig probeerde ik met mijn vingers, verkleumd door de snijdende wind, de knoopjes te ontwarren. Het lukte mij niet. Ik probeerde met mijn tanden. Maar tevergeefs.

 

Het licht sprong op groen. Het meisje en haar moeder staken over. Ik bleef staan. Ik keek haar ‘verontschuldigend’ aan, maar ik denk niet dat ze die blik al kende. De moederhand trok haar mee,  de Lange Leemstraat in.  Het meisje draaide zich nog een paar keer om.

  

De ballon is intussen een slap stukje plastic geworden dat al een paar keer in mijn spaken is blijven vastzitten. Telkens als ik op de fiets zit, neem ik mij voor de volgende keer een schaartje mee te nemen.

Tussen de lijnen

woensdag 25 maart 2009

 

Ik vroeg aan mijn moeder wat ‘sonsert’ was. Ik kon net lezen en dacht dat je de ‘c’ altijd als ‘s’ uitsprak. Ik had het ticket vast, waarmee we die avond naar een concert zouden gaan. “Dat is iets waarin mensen muziek voor je spelen”.
Het concert vond plaats in het gemeentehuis. Toen we onze plaatsjes innamen, waren de muzikanten al aan het spelen. “Ze zijn aan het stemmen”, zei mijn moeder. Ik begreep de stemmen van de instrumenten niet en vroeg welke taal ze spraken. “Instrumenten spreken niet, ze spelen”.
Naast mij zat een man met een neus waar je naar binnen kon kijken. Achter mij hoorde ik een vrouw met een doosje muntjes schudden. “Het gaat beginnen”, fluisterde mijn moeder mij toe. Ik vroeg mij af of ik nu iets moest doen. Mijn moeder ging op het puntje van haar stoel zitten en ik deed hetzelfde. Het werd akelig stil in de zaal. Je kon een muntje horen vallen.
Op het podium zaten wel twintig muzikanten. Er was ook een man die met zijn rug naar ons gekeerd stond. Alle muzikanten waren in het zwart en wit gekleed, behalve één vrouw. Zij had een rode jurk aan. Ze legde haar instrument op haar schouders. Even leek het alsof ze mij aankeek. Toen zwaaide de man met de rug met een stokje. De vrouw met de rode jurk haalde nu ook een stok boven en legde die zachtjes op haar instrument. Het geluid leek van heel ver te komen. Dit was muziek, wist ik.
“Vond je het mooi”, vroeg mijn moeder na het concert. Ik wist niet goed wat zeggen. Mijn moeder aaide over de krulletjes die ik toen nog had. De dag erna aan de ontbijttafel, met een veeg choco op mijn wangen, zei ik: “ik wil ook spelen in plaats van spreken”. Ze keek mij vertederd aan. “Kom”, zei ze een paar later en ze nam mij mee naar de muziekschool. “Welk instrument wil je graag spelen?”. “Het instrument dat op je schouders rust”, antwoordde ik.

Vanaf die dag ben ik viool beginnen spelen. Acht jaar lang liep ik elke maandagavond met een vioolkist door de stad. Ik probeerde mij vaak in te beelden dat ik de vrouw was die daar, op het podium, de viool op haar schouders legde. De klanken die ik uit mijn viool streek waren echter snerpend en leken allerminst op de harmonie van de rode vrouw.
Mijn moeder vond mijn vioolgeknars maar niets. Als ik thuis oefende, hoorde ik alle deuren van het huis dichtslaan (en wij hebben veel deuren thuis). Na acht jaar legde ik mijn viool neer. Ik had er genoeg van. Ik besefte dat ik toen, in het gemeentehuis, niet zozeer gefascineerd was geweest door de muziek, maar wel door hoe die vrouw haar hoofd schuin hield. Ik opende mijn muziekschriftje, koos een lege notenbalk en schreef:

zo mooi
hoe zij haar wang
op de viool legt
rust
in de muziek

Vanaf die dag begon ik poëzie te schrijven. Elke notenbalk werd een gedicht. Elk lijntje van de notenbalk een vers. Ik wilde niet de noten kennen die op de lijnen stonden, maar alles wat ertussen gebeurde, in stilte. Er werden geen deuren meer dichtgeslagen.
Ik ben blijven schrijven, tot op de dag van vandaag. Ik schrijf intussen niet meer in muziekschriftjes. Maar ik schrijf wel nog altijd zo klein als toen; mijn woorden passen nog altijd tussen notenbalklijntjes. En wat ik het meest verlang, is dat de lezer het hoofd zachtjes op mijn regels legt.


TV Gids