Auteur archief

Missing Words

vrijdag 14 oktober 2011

tor·man·tisch bn, bw; -er, meest: gemoedstoestand waarin je terugverlangt of nostalgisch bent naar een tijd die je zelf niet hebt meegemaakt.

Afgelopen week zag ik de film Howl, over het gedicht van Alan Ginsberg. De film maakte me nostalgisch naar mijn laatste twee jaren op de middelbare school. Ik had daar een grote groep vrienden met wie ik regelmatig samen at, samen dronk en de schoolkrant, de toneelvereniging en het debatteam in leven hield. En dat vaak in combinatie met elkaar. Vooral vrijdagmiddagen waren een soort hoogtepunt van loskomende vrijheid waarop we na de debattraining en voor en na de toneelrepetities in het café, vaak voor het eerst, zelf dronken, droomden, schaakten en praatten.

Tijdens het zien van Howl (ook al is het geen bijster goede film, ga er toch maar heen: al is het alleen maar vanwege het feit dat het gedicht integraal wordt voorgelezen in de film),  moest ik vaak denken aan een foto die in die tijd gemaakt is.  Ik fietste op de fiets van Thomas, mijn beste vriend, en voorop, op mijn stuur zat een meisje met lang wit krullend haar  wier naam me nu al een week niet te binnen wil schieten.  Ze heeft haar mond een beetje open en haar grimas zit tussen lachen en gillen in. We gaan te  snel.

Op het moment dat de foto gemaakt werd trekt Thomas die op een van zijn andere fietsen rijdt zijn voorwiel de lucht in en kijkt daarbij recht de camera in.

Hij draagt een jas van schapenleer.

Hoe gelukkig we ook waren (en gelukkig waren we natuurlijk niet, want we waren verliefd op  meisjes die we niet konden krijgen), toch hadden we allemaal een groot verlangen om te leven in de jaren vijftig, begin jaren zestig (we waren eerder nozems dan hippies).

Gek genoeg leefden we in een tijd waarin bijna dagelijks Pim Fortuyn en zijn volgers de jaren vijftig idealiseerden. Daar hadden we een beetje last van, van dat benepen en rechtse terugverlangen naar de zoetzappige jaren vijftig. Onze jaren vijftig. En om ons te onderscheiden van hen bedachten we al gauw dat we een naam moesten hebben. Wij waren niet zoals oudere, bange of teleurgestelde mensen nostalgisch,

we waren romantisch nostalgisch. Het was Edo die dat bedacht en omdat ik het er mee eens was zei ik het hem na. Wij zijn van het Tormantisch Nogalstigme (het waren voor mij ook de jaren van ver voor mijn intensieve logopedie; verstaanbaar zijn lukte me nauwelijks,  nieuwe woorden onverhaspelt zeggen was nagenoeg onmogelijk). En omdat tormantisch nogalstigtisch nog beter klonk dan romantisch nostalgisch werd mijn verhaspeling onze naam.

Later begreep ik dat nostalgie in zijn geheel niet van toepassing was op onze gemoedstoestand.

Ik kan nostalgisch zijn naar de tijd waarin die foto van mij en Thomas werd gemaakt, maar ik kan niet nostalgisch zijn naar een tijd waar ik niet bij ben geweest.

Die specifieke vorm van verlangen, enigszins lijkend op heimwee naar een plek waar je nooit bent geweest, een verlangen dat niet gaat over het jammer  vinden dat iets voorbij is, maar over het jammer vinden dat je er niet bij was,

een verlangen ook dat nadrukkelijk een verlangen moet blijven,

omdat juist dat verlangen gelukkig maakt,

omdat je juist met het verlangen het nu aan het vieren bent,

dat verlangen verdient een eigen woord.

Mijn voorstel: tormantisch.

Hier, hier en hier word ik bijvoorbeeld lichtelijk tormantisch van.

Als u een ander voorstel hebt voor een naam hoor ik het hieronder graag.

Ps.

Nu ik de film Howl zag leek het wel alsof het enige echte verschil tussen de Opkras Kuiten die we organiseren en de poëzielezingen uit de tijd van Ginsberg hem zit in het feit dat we nu niet meer massaal roken tijdens de voorstellingen. M.a.w. ik was tijdens de film nostalgisch naar mijn vijfde/zesde jaar, maar eigenlijk niet echt tormantisch naar de jaren vijftig/zestig.

over tijd

vrijdag 21 januari 2011

Ik was aan het denken over 2010.
Ik vroeg me af wat voor jaar het was geweest.
Ik merkte dat hoewel ik vorig jaar misschien maar twee weken op vakantie ben geweest die twee vakantieweken ongeveer de helft van mijn 2010 herinnering beslaan.
Ik bedacht me dat als ik een film van mijn 2010 zou maken er een heleboel weken, maanden misschien zelfs, niet getoond zouden worden.
Niet alleen omdat ze dramaturgisch niet zouden passen in het verhaal dat ik van afgelopen jaar in mijn hoofd aan het maken ben,
ook niet omdat er kleine blikken, beelden, bewegingen van geliefden die in het echt maar seconden duurde, in de film brutaal een kwartier opeisen en er zodoende simpelweg geen plaats is voor alles, maar eigenlijk vooral omdat ik me de meeste dagen van 2010 niet meer herinner.

Ik vraag me altijd af wat er met de vergeten dagen gebeurt. Zijn ze ergens nuttig voor geweest? Hebben ze überhaupt wel bestaan? Leefde ik toen? Is een afgevinkt to-do lijstje waarvan ik me niets herinner voldoende bewijs voor het feit dat ik die dag heb meegemaakt?
En als vandaag, nu zelfs, dit ogenblik, ooit een dag is die de film van 2011 niet zal halen, besta ik dan nu wel?

Sinds ik in Antwerpen woon ervaar ik steeds vaker iets dat ik maar zal omschrijven met ‘rust’. Er lijkt meer tijd te zijn. Er komen routines, iets wat ik enigszins verbaasd aanschouw maar hard toejuich.
Ik sta elke dag om dezelfde tijd op, ik bak om de twee dagen een brood, ik werk tot ongeveer hetzelfde uur, ik probeer voor het slapen gaan elke avond iets te schrijven.
En waar die routine er nog niet is, zoek ik het op, wil ik het, zodat ik iets krijg om me tot te verhouden. Zoals je vroeger door te spijbelen pas in het park kon zitten.
Nu ik om negen uur opsta, kan ik pas een keer vroeg opstaan, of een keer uitslapen simpelweg door vroeger of later dan negen uur op te staan.

Er ontstaat een rooster waar ik in kan plannen.
Er ontstaat een avond in de week waarop ik kan sporten.
Er ontstaat de vrijdag, een dag zonder morgen.

Vandaag vraag ik me af, tijdens het opstaan al, tijdens het bakken van een brood, en nu op papier of ik met die routines niet een onzichtbaar beest aan het creëren ben. Als alle dagen op elkaar lijken, bestaan de dagen dan nog wel als zichzelf? Creëer ik met routine niet bewust de zwarte dagen van mijn 2011 film?

Ik weet niet of dit een echt probleem is. Toen ik een boterham at, warm uit de oven, bedacht ik me dat ik er misschien wel op de verkeerde wijze naar keek.
Het zou kunnen, dacht ik vanmiddag, dat ik misschien wel te veel vast zit aan niet bestaande
-aan bedachte- grenzen.

Als ik bijvoorbeeld aan dinsdag denk,
als ik me echt probeer dinsdag voor te stellen,
dan denk ik aan het vakje in mijn agenda.
Het vakje dat elke week weer het tweede vakje van boven is.
Als ik aan volgende week dinsdag denk, dan lijkt die dinsdag op geen andere plaats te bestaan dan in mijn agenda.

Ik herinnerde me steeds meer dingen die in mijn 2010 film zouden moeten komen, het probleem met de meeste van die dingen was echter dat ze zich niet in 2010 afspeelden. Of ze speelden zich wel in 2010 af, maar ze staan niet in mijn agenda van 2010. Want was het niet gisteren dat ik in Amerika was? Fiets ik niet nog steeds door Roemenie? Ben ik ooit geen 17?

Hoe lang mag zo’n 2010 film eigenlijk duren?

to-do lijst

vrijdag 31 december 2010

Drie plannen die ik dit jaar waarschijnlijk niet meer zal realiseren.

1.het opzetten van een breed verzet tegen de NS.

Zoals de trouwe lezers weten zit ik gemiddeld één à twee keer per week in de trein. Daarvan minstens de helft op de horror verbinding Antwerpen - Amsterdam. Een verbinding die ze eigenlijk twee jaar geleden al hadden willen afschaffen, maar op die afschaffing zit wat vertraging. Het is een traject geworden waarop elke dag een paar treinen uitvallen.

Mensen die niet vaak met de trein reizen weten wellicht niet wat dat is. Het uitvallen van een trein houdt in dat je je haast om de trein van 5 uur te halen en dan hijgend het perron op rent om daar te lezen dat ‘deze  trein helaas niet zal rijden’.

Soms laten ze ‘helaas’ weg.

Het was zondag en ik was in Amsterdam. Ik wilde naar huis. Dus ik ging naar het Centraal Station om daar de trein te nemen die ik gepland had te nemen.

Opgelucht, want de trein stond er, stapte ik in.

‘Helaas kon door een technisch mankement aan deze trein, de trein niet vertrekken’.

Gelieve uit te stappen.

Aan de achterkant van datzelfde perron stond de Thalys klaar om naar Antwerpen te suizen. Een paar reizigers gingen vragen of ze mee mochten, maar de conducteur sprak verontwaardigd dat dat natuurlijk niet kan.

‘Natuurlijk kan dat niet. Dit is een heel andere maatschappij’.

Een enkele vrouw huilde nog dat ze echt in Antwerpen moest zijn, maar de conducteur hield voet bij stuk.

‘Vol is vol, Madam’.

Nou was die Thalys niet vol. Natuurlijk niet. De Thalys is niet vol. De Thalys is duur.

En vanaf dat moment begint mijn steeds terugkerende dagdroom.

Ik wou dat we als groep hadden geschreeuwd tegen die conducteur:

‘We gaan wel mee. Iedereen gaat mee.’

En dat ik daarna tegen de wachtende mensen had geschreeuwd:

‘Allemaal instappen. Met zijn allen kunnen ze ons niet stoppen.’

En  misschien was de Thalys dan ook niet vertrokken, maar dan had tenminste iedereen er last van gehad, niet alleen wij.

Ik droomde van  ’wij betalen niet voor treinen die niet rijden’- acties.

Van buttons met leuzen als ‘ik betaal niet, ik protesteer.’

Van betaalloze maandagen, waarop de treinreizigers en masse besluiten niet te betalen op maandag.

Net zolang tot het treinverkeer stilt staat,

urenlang vertraging oploopt om de gebuttoneerde mensen uit de trein te verwijderen.

Net zolang tot de conducteurs zwichten, de kaartjes van mensen met buttons niet meer worden  gecontroleerd, geen mens nog kaartjes koopt en de NS failiet gaat. En we met een frisse start opnieuw kunnen beginnen.

2. Het opzetten van een vriendenclub

Ik loop al een tijdje met het idee rond om duizend mensen te zoeken die mij jaarlijks tien euro willen schenken. In ruil daarvoor ontvangen ze dan het lidmaatschap van de ‘vriend van Freek club’. Op deze manier zal ik geen subsidies meer nodig hebben en mijn toegangsprijzen drastisch kunnen laten zakken. Ook kan ik, special voor de ‘vrienden van Freek’, korte documentaires maken of verhalen schrijven die alleen zij te lezen krijgen. Verder is er natuurlijk de mogelijkheid voor de ‘vrienden van Freek’ tot speciale meet en greet middagen.

Bij voldoende interesse en vergaande afkalving van het kunst en cultuurbeleid, vindt dit plan wellicht doorstart in 2011.

3.Het opzetten van een nieuw belastingstelsel

Nu het argument  ’daar heb ik niks aan/mee’ aan kracht lijkt te hebben gewonnen in de debatten over de rijksuitgaven, is het misschien tijd voor een nieuw belastingstelsel. Een belastingstelsel waar (blijkbaar) achterhaalde begrippen als ’solidariteit’ of ‘algemeen belang’ geen onderdeel van uit maken.

Het plan: naast de jaarlijkse inkomstenbelasting die je moet invullen, moet je in dit plan ook direct en bindend aangeven waarvoor jouw belastinggeld gebruikt mag worden.

Simpel en effectief.

Voorbeeld: Fred moet zeven duizend euro belasting betalen. Fred vindt gezondheidzorg erg belangrijk en beslist daarom dat hij drieenhalfduizend euro in de Gezondheidszorgpot stopt,  verder ’schenkt’ hij tweeduizend euro aan Onderwijs. Dan heeft hij nog anderhalf duizend euro over die hij vrij willekeurig verdeeld over Kunst en Cultuur, Justitie, Rijkswaterstaat en Grote Steden beleid.

(Particulier geeft hij dan nog vijftig euro aan UNICEF, Amestity International en Jantje Beton. En tien euro aan de Vrienden van Freek - het is een goed mens.)

Maar Freek, zult u denken, zorgt dit plan er niet voor dat de rijken dan veel meer macht krijgen dan de arme mensen. Immers, als zij besluiten 80.000 euro aan Defensie te geven weegt dat toch niet op tegen de bijstandsmoeder die misschien maximaal 2000 euro aan de rijksbegroting toe te voegen heeft.

Daarom moeten we (voor een deel) de uitgaven om rekenen naar procenten en die procenten middelen over elke belastingplichtige.

Voorbeeld: Piet geeft 20% van zijn belasting aan wegen. Jan geeft 10% van zijn belasting aan wegen. In totaal gaat dan dus 15% van de binnengekomen belasting naar wegen.

Voorbeeld 2:Als dus tien procent van de Nederlandse bevolking tien procent van hun individuele afdracht voor Kunst en Cultuur reserveren dan gaat er dus in totaal 1% van de totale rijksbegroting naar Kunst en Cultuur.

Mogelijke gevolgen:

  1. Verkiezingen zullen niet langer gaan over de vraag hoeveel geld er gegeven moet worden aan dit of aan dat. Of hoeveel er bezuinigd er moet worden op zus of op zo. De verkiezingen zullen simpelweg gaan over de vraag hoe wil Partij A en hoe wil Partij B het door het volk gegeven geld besteden.
  2. Ik denk dat een van de positieve gevolgen van dit belastingstelsel hem zit in het feit dat je van iets negatiefs  (’ik moet geld weggooien’) iets positiefs maakt (’ik help de gezondheidszorg’).
  3. De JSF zal niet gebouwd worden.

Veel plezier in 2011.

In de trein 2-11-10

donderdag 4 november 2010

“Ik moet naar Antwerpen,” zeg ik, “kan ik dan deze trein ook nemen of kan ik beter wachten tot die van 46?”

“Je moet helemaal niet naar Antwerpen zegt de conducteur, je wilt naar Antwerpen dat is iets anders.”

En begint dan aan een verhaal over overstappen in Amersfoort op spoor zoveel A naar Rotterdam, waar ik niet naar luister omdat ik in mijn hoofd tegen hem zeg: ah dat is gek, ik dacht dat ik wel naar Antwerpen moest. Ik heb daar namelijk een afspraak. En mijn vriendin woont daar. Die wellicht nu aan het bevallen is. Of nog sterker: mijn vader ligt daar op sterven en vanavond is de laatste kans voor mij om hem te zien. Dus wie bent u om te bepalen wat ik al dan niet moet. Zeikerige brilsmurf. Met je nepuniform.

Maar terwijl ik dat denk zie ik witte huidschilfers rond zijn neus, en op de enige plek waar zijn schedel nog haar heeft (de zijkant) is het haar zo piekerig dat ik mijn mond hou. Vooral eigenlijk omdat hij mij zijn grapje net iets hard vertelt en net iets te veel vanuit zijn ooghoeken keek of de collega’s het wel gehoord hadden.
En ze hadden het gehoord, maar keken gegeneerd weg. Zo sloeg mijn woede om in medelijden. Iets wat me bijna altijd gebeurt met conducteurs. Of met welk NS-personeel dan ook.

De tijd gaat voort

zondag 4 april 2010

Door een soort technisch probleem (van het soort waar ik u niet mee lastig ga vallen) lukt het me niet om mijn nieuwe documentaire op deze plek te zetten. Daarom heb ik na een jaar van ongebruik het aloude www.freekvielen.nl maar weer eens uit het stof gehaald.

Daar kunt u dus luisteren naar de documentaire die ik maakte over het Vlaamse theatergezelschap De Tijd.

Mocht u willen reageren, gelieve dat hier te doen, niet daar.

Meneer Johanson in de bus.

donderdag 7 januari 2010

Meneer Johanson zat in de bus.
Het was een hete dag tijdens een toch al hete zomer.
De buschauffeur had zijn broekspijpen en mouwen opgerold. Hij had een rood hoofd en een bril.
Verder was de bus leeg.
Meneer Johanson was helemaal achter in de bus gaan zitten en hield zich goed vast. Hij had zijn broekspijpen niet opgerold en zelfs zijn jas nog aan.
In de bindingsstraat stopte de bus.
‘O jee’, dacht meneer Johanson, ‘als dat maar goed gaat.’
Er kwamen twee passagiers binnen. Twee mannen waren het en ze hadden een rek mee, waar je was aan kan drogen.
‘Een rek,’ dacht meneer Johanson, ‘waar je was aan kan drogen? Wie neemt er nou een droogrek mee de bus in? Hadden ze soms nog geen rek? Wouden ze misschien twee rekken hebben? Hadden ze soms zoveel was? Hoe komen ze aan zoveel was?’
Meneer Johanson kreeg het warm van zoveel vragen en veegde met zijn hand over zijn voorhoofd.
‘Niks laten merken,’ dacht hij. ‘Niets laten merken.’
Tot nu toe had meneer Johanson nog nooit nagedacht over het verplaatsen van droogrekken. Hij was er min of meer van uit gegaan dat elk huis zijn eigen droogrek heeft en dat voldoende was. Maar nee, niets was blijkbaar minder waar; er wordt dus met droogrekken stad en land afgezeuld.
Eerst dus al dat ijzer met een vrachtwagen uit de bergen naar een fabriek, en dan op weer een andere vrachtwagen vol met droogrekken naar de winkel. En dan nu met een bus naar huis.
Meneer Johanson werd plots heel moe. Hij dacht: Alles wat in een huis staat is daar ooit door iemand heen gebracht.
‘En deze bus dan, die maar door de straten rijdt om de mensen te verplaatsen. Ook de banken, de schroeven, de stopknopjes in deze bus zijn gemaakt en hierheen gebracht.’
Hij keek naar buiten, zag lantaarnpalen, fietsrekken, vuilnisbakken en dacht: is alles in de wereld ooit verplaatst?
Meneer Johanson snapte die gedachte niet helemaal en op zijn voorhoofd waren nu duidelijk druppels zweet te zien.
‘Ik moet hier uit,’ dacht meneer Johanson, ‘ik moet hier nu onmiddellijk uit’.
Wat ook zo was, want ze waren in de Borgerstraat, waar meneer Johanson woonde. Hij stapte uit in de warme stroperige buitenwereld.
Er blies een briesje wind, maar Johanson werd er niet door verkoeld. Integendeel. ‘Aha’, dacht meneer Johanson, ‘aha, wind. Als ik het niet dacht.
Dus vrachtwagens al over de hele wereld met spullen naar de winkels toe en ook nog wind die misschien vanochtend nog wel in de Sahara was. Juist. Dus zo gaan de zaken. Naar alle waarschijnlijk ligt er nu zand uit de Sahara hier voor me op de stoep. Uit de Sahara! En als dat er niet ligt, dan liggen er zeker wel zaadjes, waar dan weer bomen uitgroeien. Hier voor mijn deur. Nu is er nog geen boom, maar als je alles zijn gang laat gaan, staat er als je even niet kijkt ineens een boom. Of een droogrek. Hup, plaats het maar allemaal voor de deur van meneer Johanson. Kom maar hier hoor wind, met je zaadjes vol met bossen! Kieper heel dat bos maar voor de deur van Meneer Johanson, alsof er niet al genoeg voor mijn deur is!
Het begon Meneer Johanson te duizelen. De hele wereld die constant maar aan het bewegen is. Hij voelde een druppel zweet over zijn rug naar beneden rollen en zijn hart kloppen in zijn keel.
‘Nee,’ dacht Meneer Johanson, ‘mijn hart! Het beweegt. Bloed gaat constant door mijn aderen. Zoals het water constant door de rivier van de berg naar de zee. Alles beweegt en beweegt maar.’
Hij moest zich vast houden aan de deurklink van zijn huis.
‘Ik ren naar boven toe, naar mijn kamer toe, doe de gordijnen dicht, de deur op slot, de klok zet ik stil en dan beweegt er helemaal niks meer in mijn kamer. Hebben jullie dat goed begrepen!’ Hij schreeuwde het naar de overdrijvende wolkjes toe. ‘Niks gaat er bewegen in mijn kamer, helemaal niks!’
De echo van zijn schreeuw weerkaaste in de verder uitgestorven straat.
Hij zette zich schrap en maakte zich klaar voor een laatste sprint naar zijn zolderkamer toe.
Hij opende de deur van het trappenhuis en rende de trappen op naar zijn kamer.
‘Meneer Johanson, komt u niet even kopje thee drinken?’, riep de stem van zijn onderbuurvrouw.
Maar Meneer Johanson was zo snel dat hij gelukkig net kon doen alsof hij het niet gehoord had.

in de bus waar ik reed

zaterdag 14 november 2009

in de bus
waar een man een strijkplank door de gang droeg
waarschijnlijk omdat hij ook thuis wou kunnen strijken
dacht ik, niets wat ergens is is niet ooit daarheen gebracht

(stromen is het woord niet)

vrachtwagens vol haast uit Brazilie
vanuit de grond in de mijnen
met boten over onverharde wegen waar wind
het zand uit de Sahara blaast

(rivieren als asfalt blauw)

thuis deed ik de deur op slot
stopte de kieren in mijn raam
ging zitten voor de klok
en hield de wijzers tegen

(ik zocht iets dat zou blijven)

geen golven van geluid, geen adem door de kamer
laat niets nog in dit huis zich verplaatsen van zijn plaats
schreeuwde ik in stilte en gaf door kramp en het voelen van mijn hart
opnieuw de poging op

(leven is bewegen)

zodat ik toch weer het niet door mij gewonnen inkt
in zelfverzonnen zinnen ging sorteren
schrapte ook die weer door
pakte mijn autoped en hinkelde naar buiten

stromen is het woord niet

Hotelgasten.

vrijdag 9 oktober 2009

Ik werk sinds vier maanden in een hotel, als receptionist. Dat houdt dat ik achter een balie zit, die ook dienst doet als bar. De gasten komen ’s ochtends ontbijten en verder komen ze één keer binnen om in te checken en één keer om uit te checken. Heel af en toe bestelt er iemand iets te drinken. Voor de rest ben je, vrij veel, alleen.

Na een week had ik zoveel gezichten gezien uit zoveel windstreken dat ik in mijn laptop een mapje aanmaakte met ‘hotelgasten’.

Een kleine selectie daaruit kunt u hier lezen.

Waarschijnlijk deel 1 van een terugkerende reeks.

1.

Twee Twentse jongens die op zondagavond om 22:30 met de auto naar Amsterdam zijn gereden vragen naar een plek waar ze uit kunnen gaan. Ik zeg dat ze naar de Sugarfactory kunnen, omdat het zondag is.

“Maar”, vraagt de jongen, “dat is toch niet zo’n plek waar gevochten wordt? Want daar hou ik niet van, dat vechten.”

Hij leek te suggereren dat er ook mensen zijn die wel degelijk houden van vechten en die misschien zelfs zoeken naar plekken waar je het best uitgaan met vechten kunt combineren.

Ik weet alleen niet of dat iets zegt over het uitgaan in  Twente, of over het beeld dat ze in Twente hebben van het uitgaan in Amsterdam.

2.

Een Duitse vrouw is onnodig lang. Vooral haar kuiten en haar hoofd zijn echt groot. (Uit de kluiten gewassen, zou ik graag schrijven).

Drie ochtenden achter elkaar ontbijt ze in haar eentje. Waarbij ze vrij lang doet over een getoast wit broodje met jam. Als ze boterham opheeft slaat ze in straf tempo achter elkaar vier kopjes zwarte koffie achterover.

3.

Twee Finse mannen komen elke avond dronken en stoned binnen. Ze zijn bijna te lam om te lopen maar willen altijd nog twee biertjes voor om op hun kamer te drinken.

Op een avond heb ik een lang gesprek met een van hen. Hij heeft een ringbaardje, grote spierballen, veel tattoo’s en is motorrijder. Hij is waarschijnlijk een jaar of 45 maar ziet er jonger uit.

We hebben het over de Hells Angels, over hoe hij de pest aan ze heeft omdat ze altijd alles verkloten. Vooral in Helsinki waar de meeste ook een soort neo-nazis zijn. Hij wou een tattoo in Amsterdam laten zetten maar kwam er toen achter dat de zaak gerund wordt door een Hells Angel.

Hij vertelt over dat hij ook geen makkelijke jongen was, maar nooit echt verkeerde dingen deed. De mensen kennen hem wel kennen in Helsinki.

Maar ja hij heeft nu een zoon van 15 en dan wil je gewoon geen problemen meer. Zeker niet met die nazisukkels van de Hells Angels.

Hij moet terug naar Finland om zijn zoon te helpen. Die heeft problemen met de politie.

Klootzakken zijn het ook, laten je niet met rust.

Hij was een keer te lang in Amerika. Hij mocht maar drie maanden blijven op het toeristen visum, maar hij was …nou ja.. niet echt de manager… maar ook niet de… hij hielp gewoon met de financiën van een band, en hij was in Nashville voor die band. Ken je die band niet? Zijn wereldberoemd. Hier heb ik hun naam getatoeëerd.

Er was daar ook een meisje.  Mexicaans was ze. She was really really hot. But hot hot you know.

Nu doen ze elke keer moeilijk als ik in Amerika naar binnen wil.

Hij was ook met zijn dochter van drie in de bioscoop, naar ice-age, en zijn dochter maakte een boel lawaai, maar dat is juist zo mooi aan kinderen, dat ze een boel lawaai maken in de bioscoop. Hij mist zijn vrouw, nee niet die Mexicaanse, gewoon een Finse.

Zijn vrouw is niet echt een model of zo, maar ze heeft wel alles op de goede plaats, als je snapt wat ik bedoel, en rond, echt rond op de goede plaatsen, en hij mist haar, en hij houdt nog van haar, maar zij niet van hem en ze zijn gescheiden vorig jaar.

En als hij dan afrekent en gaat slapen, geeft hij mij een hand die hij lang vast houdt, want hij moest bijna huilen omdat hij zijn vrouw mist en hij houdt mijn hand vast en vraagt: are we cool? We are cool, aren’t we?

En ik zeg: yeah men, we are cool. I’m cool, you’re cool. We all are cool.

En ik geef hem het extra biertje voor op zijn kamer niet, waarvan hij alweer vergeten is dat hij erom vroeg, als hij naar boven strompelt.

Ik kijk hem na en vond hem echt een fijne vent en het was echt een fijn gesprek. Maar ik snap niet hoe alles in het leven zo cliché kan worden.

Want natuurlijk heeft die stoere motorrijder een zoon van 15 die problemen heeft met de politie en natuurlijk houdt hij veel van zijn dochter en natuurlijk mist hij zijn vrouw als hij dronken is, wat hij waarschijnlijk elke avond is. Maar waarom weet je dat eigenlijk allemaal al als hij de eerste keer het hotel binnenstapt, met zijn leren jack, zijn tatoos, zijn spierballen, zijn ringbaardje en zijn lichtblauwe spijkerbroek met gaten er in.

Waarom draag je als je een concertpianist bent een rokkostuum en als je in een metalbandje speelt een vormeloos zwart xl t-shirt met een andere metalband erop. Waarom zijn er zoveel mensen in uniform? En wat is er eerder, het beeld of de mensen?

4.

Een oudere man met grijs haar en een meisje drinken elk ontbijt melk met een beetje koffie. Mijn baas denkt dat ze  een stel zijn, maar het kan niemand anders dan zijn dochter zijn, lijkt mij.

5.

Tijdens een middag dienst zat er een meisje van een jaar of 24 in de foyer twee uur thee te drinken en een boek te lezen. Het was een van de meer zinnige tijdsbestedingen die ik de gasten al heb zien doen. Het leek me boeiender dan blowen of het Van Gogh museum bezoeken. Wat, werkelijk waar, iedereen doet. Vaak in combinatie.

Ik moest veel denken aan mijn vriendin, hoe zij in haar eentje in winderig en regenachtig Schotland in een café ging lezen en schrijven. Ik moest ook denken aan hoe zij vroeger op zondag werkte in de bioscoop van Zaandam, met maar één filmzaal. Op zondag was het er altijd uitgestorven zodat zij dan in haar eentje de krant zat te lezen, thee dronk en films mocht bekijken.

Als ik haar toen had gekend zou ik toen al op haar verliefd zijn geweest.

Ik ben verliefd op (oa) iemands eenzaamheid.

Ik bedacht me in het hotel, dat liefde bepaald lijkt te worden door contradicties.

Ben jij het niet die, ten tijde van liefde, overspoelt wordt door tegenstrijdigheid, dan is het de liefde zelf wel die het onmogelijke verlangt.

Onze contradictie is dat we bij elkaars alleen zijn willen zijn.

Wat nog verbazingwekkend goed lijkt te kunnen ook.

Toen het kopje thee op was, schonk ik een nieuw voor haar in. Ze keek enigszins verbaasd op uit haar boek. Ze was vergeten dat ik ook in die ruimte was.

Alleen in de bossen.

maandag 28 september 2009

Beste mensen,

Hieronder kunt u luisteren naar mijn nieuwe radiodocumentaire:  Alleen in de bossen.

Frans de Waal schrijft in zijn boek “De aap in ons” dat als je twintig elkaar onbekende chimpansees in een treinwagon stopt, dat er dan maar één levend uit zal komen. Voor een chimpansee is elke vreemde soortgenoot een potentieel gevaar. Mensen kunnen wat dat betreft een stuk beter met onbekenden omgaan. Met een ipod, mobiele telefoon of ochtendkrant zijn we prima in staat om zonder al te veel ongemak in een drukke wagon te zitten.
Toch knaagt er iets bij mij. De onrust van de stad en de constante aanwezigheid van mensen, doen me regelmatig verlangen naar een huisje op de hei. Naar een plek waar er geen drukte is, geen haast, maar rust en tijd. Is de mens eigenlijk wel gemaakt voor het leven in de stad?

Ik praat met filosoof Jan Hedrik Bakker (schrijver van ‘Welkom in megapolis’) en ga op bezoek in Marum bij een man die al 18 jaar bezig is met zijn eigen paradijsje te bouwen.

Ben benieuwd wat u er van vind. Veel luisterplezier.

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

schrijf en doe mee.

donderdag 16 juli 2009

1.
Als je snel genoeg gaat, heb je altijd tegenwind.
2.
Zoals je een broek alleen voelt als je hem net aantrekt, zo voel ik, na twintig jaar huwelijk, haar aanrakingen niet meer.
3.
Uiteindelijk heb je nooit een gesprek met een ander, maar altijd alleen een gesprek met je eigen ervaringen, je eigen verleden.
Zomaar. Voor u. Een aforisme, een vergelijking en een conclusie. Als onderdeel van het doe-het-zelf-column-pakket.
Zoals u al gemerkt zult hebben aan het weer, de kalender, aan uw vakantie, is het zomer. Tijd dus. Tijd om nou eens eindelijk de krant van voor naar achter en het weblog van boven naar onder te lezen.
Helaas zit juist dat er niet in. De krant is dunner dan ooit en de weblogs liggen stil.
Ook op De Vrijdag dateert het laatste stukje al weer van een maand geleden.
Afgelopen maand hebben de redacteurs van De Vrijdag echter niet stilgezeten. Wat heet.
Sara is voor twee maanden naar India vertrokken en Maud, Rebekka en uw aller Freek hebben samen hun eerste voorstelling gemaakt. Te weten: Mono no Awaré, de droevigheden van 2008. Over de inhoud en speeldata later meer, maar u mag vast in uw notitieboekje schrijven dat het een succes was en dat we het zeker nog in Groningen (24 en 26 augustus Noorderzon), Amsterdam (13 september) en Antwerpen gaan spelen. En misschien zelfs in de rest van het land.
Terug naar uw doe-het-zelf-column. Omdat u het bent die nu tijd heeft mag u zelf in de pen kruipen. Schrijf zelf een column, verhaal of gedicht over onderstaand thema en stuur het naar ons op.
U mag daarvan gebruik maken van boven gegeven aforisme, vergelijking en conclusie, maar daar bent u vrij in. Het zijn cadeautjes.
Het thema is: Natuur, natuurlijk en/of natuurlijkheid.
Er wordt vaak gezegd dat de mensheid niet meer in contact staat met de natuur. Soms wordt er zelfs gezegd dat mensen niet meer in contact staan met hun natuur. Wat zou daar mee bedoeld kunnen worden? Waaruit blijkt dat dan? Hoe erg is dat? Wat voor natuurlijks doet u nog in uw dagelijks leven? Wat is natuurlijk? Hoe natuurlijk is de mens? Hoe menselijk is de natuur? Zijn ze elkaars tegenovergestelde? Heeft u nog last van uw oerinstincten? Vaart en paart u blindelings op uw dierlijk verstand?
Giet één van deze vragen, of uw eigen vraag, in een essay, anekdote, column, gedicht, verhaal, haiku, gedachtestroom, interview of krantenbericht en mail het naar freek@freekvielen.nl
We zullen het met veel plezier lezen.


TV Gids