Missing Words

Freek Vielen

tor·man·tisch bn, bw; -er, meest: gemoedstoestand waarin je terugverlangt of nostalgisch bent naar een tijd die je zelf niet hebt meegemaakt.

Afgelopen week zag ik de film Howl, over het gedicht van Alan Ginsberg. De film maakte me nostalgisch naar mijn laatste twee jaren op de middelbare school. Ik had daar een grote groep vrienden met wie ik regelmatig samen at, samen dronk en de schoolkrant, de toneelvereniging en het debatteam in leven hield. En dat vaak in combinatie met elkaar. Vooral vrijdagmiddagen waren een soort hoogtepunt van loskomende vrijheid waarop we na de debattraining en voor en na de toneelrepetities in het café, vaak voor het eerst, zelf dronken, droomden, schaakten en praatten.

Tijdens het zien van Howl (ook al is het geen bijster goede film, ga er toch maar heen: al is het alleen maar vanwege het feit dat het gedicht integraal wordt voorgelezen in de film),  moest ik vaak denken aan een foto die in die tijd gemaakt is.  Ik fietste op de fiets van Thomas, mijn beste vriend, en voorop, op mijn stuur zat een meisje met lang wit krullend haar  wier naam me nu al een week niet te binnen wil schieten.  Ze heeft haar mond een beetje open en haar grimas zit tussen lachen en gillen in. We gaan te  snel.

Op het moment dat de foto gemaakt werd trekt Thomas die op een van zijn andere fietsen rijdt zijn voorwiel de lucht in en kijkt daarbij recht de camera in.

Hij draagt een jas van schapenleer.

Hoe gelukkig we ook waren (en gelukkig waren we natuurlijk niet, want we waren verliefd op  meisjes die we niet konden krijgen), toch hadden we allemaal een groot verlangen om te leven in de jaren vijftig, begin jaren zestig (we waren eerder nozems dan hippies).

Gek genoeg leefden we in een tijd waarin bijna dagelijks Pim Fortuyn en zijn volgers de jaren vijftig idealiseerden. Daar hadden we een beetje last van, van dat benepen en rechtse terugverlangen naar de zoetzappige jaren vijftig. Onze jaren vijftig. En om ons te onderscheiden van hen bedachten we al gauw dat we een naam moesten hebben. Wij waren niet zoals oudere, bange of teleurgestelde mensen nostalgisch,

we waren romantisch nostalgisch. Het was Edo die dat bedacht en omdat ik het er mee eens was zei ik het hem na. Wij zijn van het Tormantisch Nogalstigme (het waren voor mij ook de jaren van ver voor mijn intensieve logopedie; verstaanbaar zijn lukte me nauwelijks,  nieuwe woorden onverhaspelt zeggen was nagenoeg onmogelijk). En omdat tormantisch nogalstigtisch nog beter klonk dan romantisch nostalgisch werd mijn verhaspeling onze naam.

Later begreep ik dat nostalgie in zijn geheel niet van toepassing was op onze gemoedstoestand.

Ik kan nostalgisch zijn naar de tijd waarin die foto van mij en Thomas werd gemaakt, maar ik kan niet nostalgisch zijn naar een tijd waar ik niet bij ben geweest.

Die specifieke vorm van verlangen, enigszins lijkend op heimwee naar een plek waar je nooit bent geweest, een verlangen dat niet gaat over het jammer  vinden dat iets voorbij is, maar over het jammer vinden dat je er niet bij was,

een verlangen ook dat nadrukkelijk een verlangen moet blijven,

omdat juist dat verlangen gelukkig maakt,

omdat je juist met het verlangen het nu aan het vieren bent,

dat verlangen verdient een eigen woord.

Mijn voorstel: tormantisch.

Hier, hier en hier word ik bijvoorbeeld lichtelijk tormantisch van.

Als u een ander voorstel hebt voor een naam hoor ik het hieronder graag.

Ps.

Nu ik de film Howl zag leek het wel alsof het enige echte verschil tussen de Opkras Kuiten die we organiseren en de poëzielezingen uit de tijd van Ginsberg hem zit in het feit dat we nu niet meer massaal roken tijdens de voorstellingen. M.a.w. ik was tijdens de film nostalgisch naar mijn vijfde/zesde jaar, maar eigenlijk niet echt tormantisch naar de jaren vijftig/zestig.

De blues, een definitie van

Rebekka

Ik kan me niet meer herinneren hoe het is om in de baarmoeder te drijven,
maar regelmatig heb ik er een verlangen naar.

Laatst nog.
Mijn portemonnee werd  gestolen en ik stapte diezelfde dag nog in de poep.
Het was de dag dat ik ontslagen werd
en ook de dag dat mijn zus vertelde dat ze zich wilde laten ombouwen.

Tot wat dan?!! Riep mijn vader.

Mijn zus keek niet op en zei:
Ik weet niet of ik een man wil worden, maar ik wil iets worden dat ik niet ben.
Ik wil me laten ombouwen, het maakt niet echt uit in wat.

Mijn vader zei dat je je alleen tot man kon laten ombouwen, maar daar twijfelde ik aan.
We zochten het op internet op. “niet alleen tot man laten ombouwen”
had ik ingetikt.
Er waren 40.600 hits.

Er was een Bulgaarse man die zich had laten ombouwen tot Lady Gaga. Een Soedanese vrouw had zich laten ombouwen tot Obelix.
Er waren 3 mensen die zich hebben laten ombouwen tot een Siamese tweeling.
Er is een iemand die zich geprobeerd heeft te laten ombouwen tot een sidderaal.
De dokter die op dat verzoek in ging, maar er jammerlijk in mislukte,
had ook iemand omgebouwd tot een Neo Nazi, en dat was wel gelukt.

Ok. Zei mijn vader.
Nou je hebt dus zes mogelijkheden: Lady Gaga, Obelix, een sidderaal, een NeoNazi, een siamese tweeling, en een man.
Mijn zus zei dat de Neo Nazi haar het meest haalbaar leek, maar ze wilde geen neonazi worden.

Mijn vader mompelde dat ze het zelf maar moest uitzoeken, en liep de kamer uit.

Ik bleef achter, samen met mijn zus.
Dat was de dag dat ik verlangde naar de baarmoeder
en ik kwam er achter dat mijn zus dus al jaren naar de baarmoeder verlangde.

Misschien was het wel een te aangename plek en zijn we op bepaalde momenten liever daar.
Ik zei dat ze zich misschien tot schipper kon laten ombouwen
dan kon ze de hele tijd afdrijven.

We zeiden de vijf minuten daarna niks
maar ik vermoed dat we allebei hetzelfde dachten:
als het risico om je tot sidderaal te laten ombouwen kleiner was -

Dan hadden we dat misschien allebei wel gedaan.

over tijd

Freek Vielen

Ik was aan het denken over 2010.
Ik vroeg me af wat voor jaar het was geweest.
Ik merkte dat hoewel ik vorig jaar misschien maar twee weken op vakantie ben geweest die twee vakantieweken ongeveer de helft van mijn 2010 herinnering beslaan.
Ik bedacht me dat als ik een film van mijn 2010 zou maken er een heleboel weken, maanden misschien zelfs, niet getoond zouden worden.
Niet alleen omdat ze dramaturgisch niet zouden passen in het verhaal dat ik van afgelopen jaar in mijn hoofd aan het maken ben,
ook niet omdat er kleine blikken, beelden, bewegingen van geliefden die in het echt maar seconden duurde, in de film brutaal een kwartier opeisen en er zodoende simpelweg geen plaats is voor alles, maar eigenlijk vooral omdat ik me de meeste dagen van 2010 niet meer herinner.

Ik vraag me altijd af wat er met de vergeten dagen gebeurt. Zijn ze ergens nuttig voor geweest? Hebben ze überhaupt wel bestaan? Leefde ik toen? Is een afgevinkt to-do lijstje waarvan ik me niets herinner voldoende bewijs voor het feit dat ik die dag heb meegemaakt?
En als vandaag, nu zelfs, dit ogenblik, ooit een dag is die de film van 2011 niet zal halen, besta ik dan nu wel?

Sinds ik in Antwerpen woon ervaar ik steeds vaker iets dat ik maar zal omschrijven met ‘rust’. Er lijkt meer tijd te zijn. Er komen routines, iets wat ik enigszins verbaasd aanschouw maar hard toejuich.
Ik sta elke dag om dezelfde tijd op, ik bak om de twee dagen een brood, ik werk tot ongeveer hetzelfde uur, ik probeer voor het slapen gaan elke avond iets te schrijven.
En waar die routine er nog niet is, zoek ik het op, wil ik het, zodat ik iets krijg om me tot te verhouden. Zoals je vroeger door te spijbelen pas in het park kon zitten.
Nu ik om negen uur opsta, kan ik pas een keer vroeg opstaan, of een keer uitslapen simpelweg door vroeger of later dan negen uur op te staan.

Er ontstaat een rooster waar ik in kan plannen.
Er ontstaat een avond in de week waarop ik kan sporten.
Er ontstaat de vrijdag, een dag zonder morgen.

Vandaag vraag ik me af, tijdens het opstaan al, tijdens het bakken van een brood, en nu op papier of ik met die routines niet een onzichtbaar beest aan het creëren ben. Als alle dagen op elkaar lijken, bestaan de dagen dan nog wel als zichzelf? Creëer ik met routine niet bewust de zwarte dagen van mijn 2011 film?

Ik weet niet of dit een echt probleem is. Toen ik een boterham at, warm uit de oven, bedacht ik me dat ik er misschien wel op de verkeerde wijze naar keek.
Het zou kunnen, dacht ik vanmiddag, dat ik misschien wel te veel vast zit aan niet bestaande
-aan bedachte- grenzen.

Als ik bijvoorbeeld aan dinsdag denk,
als ik me echt probeer dinsdag voor te stellen,
dan denk ik aan het vakje in mijn agenda.
Het vakje dat elke week weer het tweede vakje van boven is.
Als ik aan volgende week dinsdag denk, dan lijkt die dinsdag op geen andere plaats te bestaan dan in mijn agenda.

Ik herinnerde me steeds meer dingen die in mijn 2010 film zouden moeten komen, het probleem met de meeste van die dingen was echter dat ze zich niet in 2010 afspeelden. Of ze speelden zich wel in 2010 af, maar ze staan niet in mijn agenda van 2010. Want was het niet gisteren dat ik in Amerika was? Fiets ik niet nog steeds door Roemenie? Ben ik ooit geen 17?

Hoe lang mag zo’n 2010 film eigenlijk duren?

Rebekka

Een blauwe jas.

Al vanaf vier september smachtte ik naar de blauwe jas die ik in de etalage van een winkel had gezien.
Daarna had ik hem gepast.
Als gegoten.
Ik ging twee weken later terug en toen heb ik hem weer gepast.
Als gegoten.
Ik belde mijn vader, om te vragen of ik hem voor mijn verjaardag mocht, deze goddelijke jas.
Ik ben achtentwintig december jarig, dus dat was de eerste gelegenheid in het vooruitzicht waarbij ik deze jas kon bemachtigen.
Ik vroeg aan de vrouw of ik hem kon twee maanden kon laten wegleggen.
Ze vroeg of ik iets dierbaars had om achter te laten, zodat ze me kon vertrouwen. Het enige echt dierbare dat ik op dat moment bij me droeg waren mijn wollen sokken, maar mijn wollen sokken hoefde ze niet.
Paspoort?
Maar aan mijn paspoort ben ik niet gehecht.
Geef toch je paspoort maar.
Ook al zei ik dat ik er niet aan was gehecht, vond de vrouw toch dat dat mijn meest dierbare bezit was.

Daarna veel dagen waar sneeuw op lag en daarna lag er kou op en lang bleven we binnen.

Zeventien december was de dag dat ik mijn chique, wollen jas mocht ophalen.
Hij zat weer als gegoten en ik kreeg er twee zeepjes bij.
Ik had speciaal mijn Japanse instapschoenen aangedaan, omdat ik wist dat die bij de jas zouden staan.
Ik liep in mijn jas door de stad en merkte dat niemand doorhad dat ik net een nieuwe jas aanhad.
In de aanloop tot het kopen van de jas had ik gedroomd van de buitenwereld die zou denken: wat een jas. Hij is goddelijk, en tegelijkertijd onopvallend.  
Ik kon niet aan de buitenwereld aflezen of ze dat dachten, maar wat mij betreft zei deze jas dat.
 Ik weet dat jassen niet kunnen spreken, maar als deze jas ooit een contact advertentie had geplaatst dan zou er het volgende instaan:

Jas
zkt innemende, mooie persoonlijkheid om te omhlzen.
 Iemnd die er niet om vrgt gezien te wrden, mr als dat pr abuis gebeurt
dn ziet men iets moois. K bn meegaand, warm, vr slechts weinigen gegoten.

Nu durf ik niet te zeggen dat het over mezelf gaat, maar ik hoop dat dat ooit over mij zal gaan.
‘iemand die er niet om vraagt gezien te worden, maar als dat per abuis gebeurt, dan ziet men iets moois.’
Voorlopig vraag ik er nog om gezien te worden, anders zou ik geen sprekende jas kopen.
In dit stadium van mijn leven heb ik daar nog geen problemen mee, dus dat is niet het dragende conflict van dit stukje tekst.
Het dragende conflict gaat als volgt:
De jas is veel te chique voor mij. De rest van mijn klerenkast steekt er nu wat shabby bij af.
Ik steek er shabby bij af.
Ik heb een jas gekocht die ‘out of my league’ is, waardoor ik mezelf middelmatig heb gemaakt.
 Nu denkt iedereen:  wat doet die goddelijke jas om dat middelmatige meisje?
En nu moet ik dus heel wat dingen doen om die jas te kunnen dragen.
Ik moet ten eerste astronomie studeren.
Vervolgens moet ik heel goed piano kunnen spelen en liedjes kunnen schrijven over de stand van de sterren.
Ik weet waarom de pygmeeën niet groter worden en wat de precieze invloed van Amerika is op ons zelfbeeld.
Ik had geen goede voornemens, maar deze jas dwingt mij ertoe.
Hij dwingt mij mijn borst te heffen en altijd goed na te denken, omdat die jas zo perfect gesneden is.
Het zou raar zijn als ik zelf dan niet in staat ben om perfect gesneden dingen te zeggen.
Dingen zoals: ‘Ik ben nog maar vijfentwintig en nu al voel ik dat elk geluk onherroepelijk gevolgd wordt door verdriet. En als dat niet zo is, dan was het geen werkelijk geluk.’
Een zin die ik heb moeten bedenken om de deur uit te kunnen in mijn gesneden jas.
Het stopte met sneeuwen, nog voor ik de straat uit was.
Ik moest denken aan de vrouw van de winkel. Ze zei dat het een exclusieve jas was.
Dat er maar vijfentwintig van gemaakt zijn. Toen keek ze zorgelijk en zei ze dat er ook nog wel mensen en andere jassen bestonden die leken op mijn nieuwe blauwe jas.
Gelukkig maar ! zei ze opgelucht.
Waar moet de rest van de wereld anders zijn argumenten vandaan halen om nog astronomie te studeren vandaag de dag?
 Ze deed de zeepjes in mijn tas.
Ik liep door, al weet ik niet meer waarheen. Ik moest nergens heen, maar ik moest een wandeling doen om mijn jas te kunnen dragen.
De sneeuw heb ik die dag niet meer zien vallen, maar ik weet zeker dat er genoeg sneeuw lag voor alle Joodse jongetjes
die op de valreep nog een Chassidische sneeuwpop wilden maken.

Ontbijt

Sara

Ik zit in onze gezamenlijke woonkamer aan mijn ontbijt en lees de krant. Ik eet elke dag hetzelfde: yoghurt met muesli en een kopje thee. Vind ik dat lekker? Geen idee eigenlijk, geheel gedachteloos werk ik het naar binnen, tegelijk met het wereldnieuws. Meestal zit ik alleen, ik ben vaak wat later dan de rest. Dan is het lekker rustig en staat de verwarming al aan.

Maar vanochtend is Jessica er ook. Aan de randen van mijn blikveld loopt ze heen en weer met kopjes naar de keuken. Jessica is altijd aan het opruimen. Ze denkt dat haar vriendje er zo aan komt, schiet er door mijn hoofd. Ondertussen vouw ik de krant uit elkaar en leg hem weer op volgorde; ik heb er zo’n hekel aan als mensen een rommelige, uitgelezen krant achterlaten. Hoe weet ik dat eigenlijk?, denk ik dan. Dat ze wacht op haar vriendje, bedoel ik. Waar baseer ik dat op? ‘Wil je koffie?’ roept ze uit de keuken.

Niet omdat ze koffie zet, dat zou ze sowieso wel doen. En opruimen ook. Was ze misschien onrustig of juist opvallend vrolijk? Ik kan niets bedenken dat me is opgevallen. Sterker nog, ik heb haar nauwelijks aangekeken. ‘Koffie?’, zegt Jessica, haar gezicht steekt uit de deuropening. ‘Eh ja, sorry, graag’, knik ik. Ik zie niets aan haar en toch weet ik het zeker. Peinzend staar ik in mijn krant. Hoe kan dit? Ik weet iets en ik weet het zeker, maar ik heb geen idee waarom. Ineens weet ik het ook niet zo zeker meer.

Ik ken haar natuurlijk al jaren, ik heb vaak genoeg meegemaakt dat ze op hem wacht. Tim is niet het type gozer dat even opbelt dat ie komt. Hij is er ineens wanneer hij zin heeft en anders niet. En op de een of andere manier is dit typisch zo’n situatie. Maar waarom dan? ‘Ach, als hij zo komt, dan weet je het toch?’ stel ik mezelf gerust. Nee, want hij hoeft helemaal niet te komen. Ze denkt alleen dat hij zo komt. En ik weet dat ze dat denkt. Ken ik haar zo goed dat ik haar gedachten kan lezen aan haar houding?

Jessica komt de kamer binnen met de koffiepot en schenkt ons een kopje in. ‘Verwacht je Tim?’ vraag ik quasi nonchalant. ‘Hoezo?’ Ze zegt het fel. Oh God, daar kon ik op wachten. Haar strijdbaarheid vertelt me dat ik gelijk heb, maar ook dat ik beter niet verder kan vragen. ‘Zomaar’, zeg ik lauw. Gek, denk ik dan, dat je iemand op zoiets kleins en onschuldigs als hoop kan betrappen.

to-do lijst

Freek Vielen

Drie plannen die ik dit jaar waarschijnlijk niet meer zal realiseren.

1.het opzetten van een breed verzet tegen de NS.

Zoals de trouwe lezers weten zit ik gemiddeld één à twee keer per week in de trein. Daarvan minstens de helft op de horror verbinding Antwerpen - Amsterdam. Een verbinding die ze eigenlijk twee jaar geleden al hadden willen afschaffen, maar op die afschaffing zit wat vertraging. Het is een traject geworden waarop elke dag een paar treinen uitvallen.

Mensen die niet vaak met de trein reizen weten wellicht niet wat dat is. Het uitvallen van een trein houdt in dat je je haast om de trein van 5 uur te halen en dan hijgend het perron op rent om daar te lezen dat ‘deze  trein helaas niet zal rijden’.

Soms laten ze ‘helaas’ weg.

Het was zondag en ik was in Amsterdam. Ik wilde naar huis. Dus ik ging naar het Centraal Station om daar de trein te nemen die ik gepland had te nemen.

Opgelucht, want de trein stond er, stapte ik in.

‘Helaas kon door een technisch mankement aan deze trein, de trein niet vertrekken’.

Gelieve uit te stappen.

Aan de achterkant van datzelfde perron stond de Thalys klaar om naar Antwerpen te suizen. Een paar reizigers gingen vragen of ze mee mochten, maar de conducteur sprak verontwaardigd dat dat natuurlijk niet kan.

‘Natuurlijk kan dat niet. Dit is een heel andere maatschappij’.

Een enkele vrouw huilde nog dat ze echt in Antwerpen moest zijn, maar de conducteur hield voet bij stuk.

‘Vol is vol, Madam’.

Nou was die Thalys niet vol. Natuurlijk niet. De Thalys is niet vol. De Thalys is duur.

En vanaf dat moment begint mijn steeds terugkerende dagdroom.

Ik wou dat we als groep hadden geschreeuwd tegen die conducteur:

‘We gaan wel mee. Iedereen gaat mee.’

En dat ik daarna tegen de wachtende mensen had geschreeuwd:

‘Allemaal instappen. Met zijn allen kunnen ze ons niet stoppen.’

En  misschien was de Thalys dan ook niet vertrokken, maar dan had tenminste iedereen er last van gehad, niet alleen wij.

Ik droomde van  ’wij betalen niet voor treinen die niet rijden’- acties.

Van buttons met leuzen als ‘ik betaal niet, ik protesteer.’

Van betaalloze maandagen, waarop de treinreizigers en masse besluiten niet te betalen op maandag.

Net zolang tot het treinverkeer stilt staat,

urenlang vertraging oploopt om de gebuttoneerde mensen uit de trein te verwijderen.

Net zolang tot de conducteurs zwichten, de kaartjes van mensen met buttons niet meer worden  gecontroleerd, geen mens nog kaartjes koopt en de NS failiet gaat. En we met een frisse start opnieuw kunnen beginnen.

2. Het opzetten van een vriendenclub

Ik loop al een tijdje met het idee rond om duizend mensen te zoeken die mij jaarlijks tien euro willen schenken. In ruil daarvoor ontvangen ze dan het lidmaatschap van de ‘vriend van Freek club’. Op deze manier zal ik geen subsidies meer nodig hebben en mijn toegangsprijzen drastisch kunnen laten zakken. Ook kan ik, special voor de ‘vrienden van Freek’, korte documentaires maken of verhalen schrijven die alleen zij te lezen krijgen. Verder is er natuurlijk de mogelijkheid voor de ‘vrienden van Freek’ tot speciale meet en greet middagen.

Bij voldoende interesse en vergaande afkalving van het kunst en cultuurbeleid, vindt dit plan wellicht doorstart in 2011.

3.Het opzetten van een nieuw belastingstelsel

Nu het argument  ’daar heb ik niks aan/mee’ aan kracht lijkt te hebben gewonnen in de debatten over de rijksuitgaven, is het misschien tijd voor een nieuw belastingstelsel. Een belastingstelsel waar (blijkbaar) achterhaalde begrippen als ’solidariteit’ of ‘algemeen belang’ geen onderdeel van uit maken.

Het plan: naast de jaarlijkse inkomstenbelasting die je moet invullen, moet je in dit plan ook direct en bindend aangeven waarvoor jouw belastinggeld gebruikt mag worden.

Simpel en effectief.

Voorbeeld: Fred moet zeven duizend euro belasting betalen. Fred vindt gezondheidzorg erg belangrijk en beslist daarom dat hij drieenhalfduizend euro in de Gezondheidszorgpot stopt,  verder ’schenkt’ hij tweeduizend euro aan Onderwijs. Dan heeft hij nog anderhalf duizend euro over die hij vrij willekeurig verdeeld over Kunst en Cultuur, Justitie, Rijkswaterstaat en Grote Steden beleid.

(Particulier geeft hij dan nog vijftig euro aan UNICEF, Amestity International en Jantje Beton. En tien euro aan de Vrienden van Freek - het is een goed mens.)

Maar Freek, zult u denken, zorgt dit plan er niet voor dat de rijken dan veel meer macht krijgen dan de arme mensen. Immers, als zij besluiten 80.000 euro aan Defensie te geven weegt dat toch niet op tegen de bijstandsmoeder die misschien maximaal 2000 euro aan de rijksbegroting toe te voegen heeft.

Daarom moeten we (voor een deel) de uitgaven om rekenen naar procenten en die procenten middelen over elke belastingplichtige.

Voorbeeld: Piet geeft 20% van zijn belasting aan wegen. Jan geeft 10% van zijn belasting aan wegen. In totaal gaat dan dus 15% van de binnengekomen belasting naar wegen.

Voorbeeld 2:Als dus tien procent van de Nederlandse bevolking tien procent van hun individuele afdracht voor Kunst en Cultuur reserveren dan gaat er dus in totaal 1% van de totale rijksbegroting naar Kunst en Cultuur.

Mogelijke gevolgen:

  1. Verkiezingen zullen niet langer gaan over de vraag hoeveel geld er gegeven moet worden aan dit of aan dat. Of hoeveel er bezuinigd er moet worden op zus of op zo. De verkiezingen zullen simpelweg gaan over de vraag hoe wil Partij A en hoe wil Partij B het door het volk gegeven geld besteden.
  2. Ik denk dat een van de positieve gevolgen van dit belastingstelsel hem zit in het feit dat je van iets negatiefs  (’ik moet geld weggooien’) iets positiefs maakt (’ik help de gezondheidszorg’).
  3. De JSF zal niet gebouwd worden.

Veel plezier in 2011.

GeenGedichten

Maud Vanhauwaert

 

1

 

mijn moeder is een vrouw

 

die lange bobbelige regenjassen draagt

en mijn vader is een spermabank uit Zweden

 

een mooie spermabank

met een afhellend dak waarin zonnepanelen zitten verwerkt

 

en een inkomhal met een draaideur

met glazen tussenwanden waarop met een sneeuwspuit

 

kerstrozen zijn gespoten

 

 

 

2

 

in Marokko staat een lemen huisje met maar één verdieping

 

waarop een schuimbekkende kameel staat

om het heilige water naar boven te pompen

 

waarvan je dan een bekertje kan krijgen

tegen betaling

 

soms voelt de kameel zijn knieën zo kraken

dat hij, als hij ooit sneeuw had gezien

 

het vergeleek met het kraken van sneeuw

 


3

 

ik lig in bed. Ik slaap naast de liefde

 

de liefde vertelt over grote zwarte schoenen

met hoogopgetrokken witte kousen

 

waarboven een korte zwarte broek, een strak getrokken wit hemd

over een bolle buik. Een colbertje

 

van een man die achteraan in een winkel, in een duffig vertrek

de in rode was omsloten kaasbollen omdraait

 

tweewaal daags. Want zo hoort het

 

 

 

4

 

in het bureau zit een rechercheur op een bal, voor zijn rug

 

en vergelijkt een -wat hij vermoed- witte zilverreiger

op het schermpje van zijn digitale foto-toestel

 

waarmee hij gisteren in de sneeuw

handig overweg kon

 

met een witte zilverreiger op Wikipedia

het is dezelfde. De rechercheur is opgelucht

 

daarna ondervraagt hij mij in een video-verhoor

 

 

5

 

de Bosnische jongen weet niet hoe

 

hij melk moet opkloppen

nochtans heeft hij net een café geopend

 

en is het een succes. Want hij organiseerde

een openingsfeest met een brassband

 

en veel volk dat uit de bol ging

hoewel (hoewel ik er ook was)

 

het voornamelijk Bosnische familieleden betrof

 

 

 

6

  

ik zit in de auto. Het is middag

 

het is lente. Mijn auto-raampjes zijn helemaal open

ik wacht voor een verkeerslicht

 

plots kijkt een kind naar binnen

het kijkt, meer bepaald

 

naar het rode kleedje dat met een kapstokje aan mijn autospiegel hangt

in het kleedje zit een zakje met vanillekorrels

 

de korrels geven al lang geen geur meer af

 

 

 

7

 

ik zit in de trein. Ik ben op de terugweg

 

voor mij zit een man. De man is Ethiopiër

en röntgen-fotograaf

 

hij vraagt of ik een boek wil schrijven over zijn leven

ik het boek. Hij het leven

 

hij is opgegroeid in een pleeggezin in Amerika

tien jaar geleden vond hij zijn moeder in Ethiopië

 

die moeder bleek vorig jaar toch zijn moeder niet te zijn

 

 

Een pressiegroepje

Rebekka


Dus ik was met een aantal vrienden naar de film ‘Enjoy Poverty’ gaan kijken. De film
‘Enjoy poverty’ is een documentaire van Renzo Martens, waar hij zelf de hoofdrol in speelt.
Een rol waarbij hij tegen Congolezen vertelt hoe ze hun eigen armoede moeten uitbuiten.
Als er nog iemand een uitgesproken gevoel wil hebben, ga hem dan kijken.
De film werd gedraaid in de filmacademie in Amsterdam, en na de film moest er een discussie over ‘geëngageerde kunst’ komen tussen Joris Luyendijk en de zaal, die dus op dat moment werd bevolkt door mensen van de filmacademie.
Een discussie dus, die Joris Luyendijk inluidde met de stelling dat geëngageerde kunst  alleen maar een excuus is om niks echt te doen. Bijvoorbeeld aan de armoede in Congo.
Je hebt volgens Joris L. twee groepen mensen.
1. De beperkte groep mensen die zich bewust zijn van de problematiek in de wereld.
2. De groep mensen die dat nooit gaan worden,
hoeveel subsidie daar ook ingestopt wordt.
De mensen die bewust kúnnen worden, zijn dat al. Dus kunst om ‘mensen bewust te maken van mondiale ellende’ is zinloos. Sterker nog, het is een alibi voor afzijdigheid.
Zo werd de discussie ingeluid.
Ik kan me moeilijk voorstellen dat die veronderstelling klopt.
Als je je echt bewust bent van alles en de tijdelijkheid van het universum en stervende kinderen voor het kapitalisme, dan ontplof je waarschijnlijk.
Ik ontplofte al bijna, toen mijn broer na de discussie zei: laten dan maar een pressie groepje oprichten en iemand anders antwoordde: dat wil ik niet.

Nee, natuurlijk wil ik ook geen pressie-groepje oprichten, maar als die meneer gelijk heeft
dan betekent dat
dat we een plicht hebben.
Een soort dienstplicht.
Dus dan moeten we een pressie-groepje oprichten.
Wij kunnen bijvoorbeeld Senegal nemen. Fuck it. Laten wij gewoon Senegal nemen.

De middag liep af.
Twee slapeloze nachten.
Die week nog heb ik met Tom, mijn buurjongen, een pressiegroep opgericht.
Ik had het wel aan meerdere mensen gevraagd, maar de enige avond die ik nog over had voor het pressiegroepje was maandag, en Tom was de enige die ook maandag nog vrij had.
We hadden vijftien flyers uitgeprint en twee potloden laten drukken met: “pressie met tom en bekkie.”
We wisten ook wel dat dat geen ideale naam was, noch het ideale lettertype, maar voor een potlood vonden we het wel geschikt. Nadat we de potloden hadden opgehaald bij het copycenter kochten we een agenda om een datum te prikken voor de dag dat we pressie zouden uitoefenen.
De dag hadden we vrij snel: maandag.
Maar toen kwam er een ander probleem op de proppen voor  “pressie met tom en bekkie”:
We vonden geen instanties om druk op uit te oefenen. Het groepje dacht aan unilever, maar de oom van Tom werkt daar.
Het groepje vindt voorlopig alleen maar dingen die kunnen afleiden, zoals bijvoorbeeld  voetbal.
En kegelen. Misschien moet er meer gekegeld worden, dacht Tom.
Het groepje dacht ook aan close harmony formaties.
Kofi-annan, Poetin, Chavez  en een onschuldige burger heel dicht tegen elkaar
 vierstemmig
Er staat een paard op de gang
I’ve got the World on a string
de meeste dromen zijn bedrog.
En nadat Marco Borsato helemaal uitgezongen was, had de onschuldige burger voorgesteld om ‘Preitjes op mijn Dijtjes’ te zingen, maar daar had Poetin nog nooit van gehoord.  
Ook van Hallelujah had hij nog nooit gehoord
en zelfs ‘let it be’ zei hem niks. Kofi natuurlijk verontwaardigd, en wel zo dat hij Poetin direct
‘Preitjes op mijn Dijtjes’ begon aan te leren.
De onschuldige burger leerde hem vervolgens ‘let it be.’
Ze hadden het lokaal maar tot half zes kunnen reserveren, want elke dinsdag zaten daar vanaf half zes vijftien Mandarijnen voor de Engelse les.
Dus Poetin, Chavez, Kofi Annan en de onschuldige burger verlieten het lokaal op tijd en aten samen in de dichtstbijzijnde pizzeria. Ze drukten elkaar op het hart dat ze dit vaker moesten doen.
En of iedereen volgende week vrij was.

-
Zelfs de onschuldige burger durfde zijn agenda niet open te doen.

Bubbels

Sara

Ik zit met een vriend op een grasveld ergens in Zuid-Duitsland. Het is begin zomer en laat in de middag. De warmte van de dag is aan het afnemen, maar het blijft nog uren licht. We zitten onderuitgezakt op een bankje en kijken naar de mensen die voorbij komen.

Als we er zo’n half uurtje zitten, komt er een oud mannetje aangefietst. Hij heeft een lange witte baard en een wijde gele broek, die dankzij bretels om zijn middel hangt. Met meer souplesse dan je van hem zou verwachten zwaait hij zijn been achter zich langs en remt. Hij stapt af en zet zijn fiets op de standaard. Met zijn handen in de zij kijkt hij om zich heen en lijkt te overdenken of dit de juiste plek is. Hij heeft een hand boven zijn ogen terwijl hij richting de zon tuurt, steekt dan een vinger in zijn mond en houdt hem in de lucht.

Om zijn hals hangt een grote donker houten koker, die hij rustig open draait. Hij trekt er een object uit, aan het handvat. Van een afstandje ziet het eruit als een grote stemvork van hout. In de zon geeft hij een vreemde schittering, alsof er olie aan kleeft. Dan stopt hij het object weer in de koker, schudt een beetje en trekt hem er met een grote boog uit terwijl hij een stap naar achter zet. Tussen de twee houten tanden van de stemvork vormt zich een doorzichtige bol. Het mannetje houdt hem nu voor zich en blaast krachtig, maar tegelijk voorzichtig, de zeepbel vol. Steeds groter. Tot hij hem wiebelend van de stok af werkt. De bel dobbert in de lucht. Met zijn handen wappert hij van onderen lucht langs de zeepbel, die daardoor centimeter voor centimeter aan hoogte wint. Tot de wind hem oppakt en echt omhoog trekt. Mijn zijn vinger wijst de man zijn zeepbel na tot die uiteindelijk uit elkaar klapt.

Mijn vriend en ik, wij kijken vol verbazing naar dit oude mannetje en zijn kinderlijke geluk. Het is niet van deze wereld. We bewonderen een poosje in stilte hoe hij opgaat in zijn spel en steeds weer nieuwe grote zeepbellen maakt, waarvan de meeste knappen, maar sommige tot ver buiten ons gezichtsveld opstijgen. Het is alsof hij danst, met zijn grote stappen en het gezwaai van zijn armen. ‘Zou hij dat elke dag doen?’, doorbreekt mijn vriend de stilte.

‘Ik denk het wel’, zeg ik, bijna ontroerd door hoe mooi ingetogen dit kabouterachtige kereltje zijn werk doet. ‘Misschien betalen ze hem er wel voor’. ‘Is hij de laatste professionele zeepbellenblazer van Duitsland’ zeg ik. ‘Een roeping die dreigt verloren te gaan in de moderne tijd’, vult mijn vriend aan.

Natuurlijk deden wij als kind ook aan bellenblazen, uit een klein plastic potje zeepsop. Maar dit staat mijlenver van de praktijk van het bellenblazen. Ik herken wat de man doet, maar zijn serieuze toewijding maakt het tot een activiteit van een andere categorie. Het voelt alsof dit wel betekenis, zin of toch in ieder geval een doel moet hebben. ‘Hij stuurt kusjes naar zijn overleden vrouw’, besluit ik.

Over hoop

Vincent Visser

Nietzsche is een vrij bekend persoon. Hitler ook. Zo is ook bekend dat Hitler de filosofieën van Nietzsche heeft verdraaid en gebruikt voor zijn eigen doeleinden. Een voorbeeld hiervan is de term ‘übermensch’: bij Hitler verwees deze naar het ‘Arische’ ras – daarbij een onderscheid vormend met de zogenaamde inferieure rassen, die hij dan ook ‘untermenschen’ noemde – maar bij Nietzsche naar het toonbeeld van de mens die zichzelf verwerkelijkt. Daar kwam geen ras aan te pas. Bovendien had Nietzsche zelf een enorme hekel aan anti-semieten, hoewel dat waarschijnlijk een gevolg was van het feit dat zijn zus en zwager beiden anti-semitisch waren en hij die twee niet kon uitstaan.

Zo werden Nietzsches schrijfsels herkauwd en misvormd om het nazi-gedachtegoed wat meer autoriteit en beschaving te geven. Onbedoeld lijkt het nazisme echter ook te hebben meegewerkt aan de bevestiging van één van Nietzsches theorieën, namelijk de betekenis van hoop.

‘Hoop’, zei Nietzsche, ‘is de grootste van alle kwaden, want zij houdt onze kwellingen levend.’ Door het hebben van hoop op betere tijden berusten mensen in de situatie waarin ze zich bevinden. Het draagt dus bij aan niet handelen, aan passiviteit. Mensen die geen hoop meer hebben zullen hoe dan ook hun situatie veranderen. Hopende mensen niet. Zo verlengt het hebben van hoop het lijden van mensen.

Bij de Jodenvervolging in Nederland lijkt Nietzsche gelijk te hebben gekregen. De Duitsers hadden het Sperrungssysteem ingevoerd, wat inhield dat Joden met een voor de maatschappij belangrijk beroep zich konden aanmelden voor een ‘Sper’. Als deze werd toegewezen hoefde de Jood in kwestie nog niet te worden afgevoerd. Velen hebben zich hiervoor aangemeld in de hoop dat alles goed zou komen.

Al deze aanmeldingen hebben de vervolging sterk in de kaart gespeeld. Door de één een Sper te geven en de ander niet konden de nazi’s de vervolging zo spreiden als zij het wilden. Er ontstond relatief weinig onrust. De Joden die een Sper hadden ontvangen waanden zich immers buiten gevaar, terwijl ze in het aanvraagformulier hun adres hadden opgegeven. De meeste van hen zijn afgevoerd.

Het was hoop die hen op hun plaats hield en niet deed onderduiken. Misschien hadden zij wel wanhoop nodig, en de spreekwoordelijke moed die daarmee samengaat. Om dan ondergedoken te hopen dat alles goed zou komen.


TV Gids